Psalm 49
De wijze en de dwaas gaan beiden te gronde
Vergankelijkheid · 1773
Vers 1
't zij laag van staat, of hoog, met eer bekroond;
't zij rijk of arm, komt, luistert naar dit woord.
Mijn mond brengt niets dan lout're wijsheid voort,
bij mij in 't hart opmerkzaam overdacht.
Ik neig het oor, daar 'k op Gods inspraak wacht,
naar 's HEEREN spreuk, en zal u, op de snaren
der blijde harp, geheimen openbaren.
Vers 2
Waarin het kwaad, het onrecht mij bestrijdt,
Als ik omringd, benauwd ben door 't geweld,
Dat in mijn val zijn hoogst genoegen stelt?
Wat hem betreft, die op zijn schat betrouwt,
En al zijn roem op groten rijkdom bouwt,
Zijn schat behoudt zijn broeder niet in 't leven;
Hij kan daarvoor aan God geen losgeld geven.
Vers 3
Aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen;
Hij wenst vergeefs hier altoos 't licht te zien,
En, door zijn schat, het naar bederf t'ontvliên.
Hij ziet elk uur der wijzen levensend;
Der dwazen dood blijft hem niet onbekend;
Hij ziet, dat hun in 't sterven niets kan baten,
Maar dat zij 't al aan and'ren overlaten.
Vers 4
Van kind tot kind gedurig overgaan";
Al heeft hij 't land, waarop zijn trotsheid roemt,
Zijn grootsheid bouwt, naar zijnen naam genoemd;
't Is alles wind, waar zich zijn hart mee streelt;
De mens, hoe mild door 't aards geluk bedeeld,
Hoe hoog in eer, in macht en staat verheven,
Vergaat als 't vee, en derft in 't eind het leven.
Vers 5
En hij zichzelf door dwazen hoogmoed vleit,
Stapt echter 't kroost, dat in der oud'ren woord
Behagen schept, op 't zelfde doolpad voort.
De dood maait ook dier kind'ren leven af;
Zij volgen hen, als schapen, naar het graf;
En in den dag, den groten dag des HEEREN,
Zal over hen d' oprechte triomferen.
Vers 6
Wijl al hun glans met hen in 't graf vergaat;
Maar na den dood is 't leven mij bereid;
God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.
Vreest hem dan niet, die grote schatten heeft,
Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft;
Want hij zal niets in 't sterven met zich dragen;
Zijn naam, zijn roem, 't ligt al terneer geslagen.
Vers 7
En ieder roemt zijn weeld' en overdaad,
Hij daalt nochtans, gelijk zijn gans geslacht,
Vervreemd van God, in 's afgronds donk'ren nacht.
Gij dan, o mens, hoe waard, hoe groot in eer,
Zo gij den wil versmaadt van uwen HEER,
Dan gaat gij, als de beesten, haast verloren;
Een wis verderf is u ten lot beschoren.
Agtergrond
De psalm wordt toegeschreven aan de zonen van Korach en dateert waarschijnlijk uit de periode na de Babylonische ballingschap. Theologisch gezien behandelt deze psalm het thema van de vergankelijkheid van het aardse leven en de ijdelheid van rijkdom en macht. Historisch gezien is de psalm relevant voor de Joodse gemeenschap die worstelt met de consequenties van ballingschap en onderdrukking.
Kernboodskap
De kernboodschap van deze psalm is dat rijkdom en macht niet in staat zijn het leven te verlengen of de dood te voorkomen. Iedereen, ongeacht zijn of haar maatschappelijke positie, zal uiteindelijk onderworpen zijn aan de dood en zal niets kunnen meenemen uit het aardse leven. De psalm roept op tot een diepere reflectie op de zin van het leven en de waarde van spirituele rijkdom.
Vir vandag
Praktisch gezien kan deze psalm ons vandaag helpen om onze prioriteiten te heroverwegen en ons te concentreren op wat echt belangrijk is in het leven. Het kan ons ook helpen om onze angst voor de dood te overwinnen door ons te richten op de eeuwige waarde van ons spiritueel leven. Door ons te focussen op de relatie met God, kunnen we een zinvol en vervuld leven leiden ongeacht de uitdagingen en ontberingen die we in het aardse leven tegenkomen.
Verdiepingsvrae
Hoe kan ik mijn prioriteiten heroverwegen in het licht van de vergankelijkheid van het aardse leven?
Op welke manier kan ik mijn angst voor de dood overwinnen en me richten op de eeuwige waarde van mijn spiritueel leven?
Hoe kan ik mijn relatie met God verdiepen en een zinvol en vervuld leven leiden ondanks de uitdagingen en ontberingen in het aardse leven?
Die KI het die psalmteks en die insig as konteks.
KI kan foute maak. Gebaseer op psalmteks en Christelike eksegese.