Psalm 55
Luister, o God, naar mijn gebed
Gebed · 1773
Vers 1
Gij, die 't geroep Uws volks wilt horen,
Verberg U niet voor al mijn smeken;
Verhoor mij, HEER; geef gunstig acht
Op mijn misbaar en jammerklacht,
Waarin de nood mij uit doet breken.
Vers 2
Ik word door angst en schrik gedreven,
En fel geperst door goddelozen;
Men schuift op mij, met snood beleid,
Een last van ongerechtigheid.
Hoe vinnig treft de wraak dier bozen!
Vers 3
De doodschrik heeft mij aangegrepen;
De vrees heeft mijne ziel bevangen;
Een kille beving komt mij aan,
En sidd'ring doet mijn leden slaan.
Dies roep ik uit met sterk verlangen:
Vers 4
Gewis, mijn drift waar' niet te teug'len;
Ik vloog, tot waar ik kon verwachten
Mijn veiligheid, waar 't ook mocht zijn:
In 't barste zelfs der zandwoestijn,
Waar ik in stilte zou vernachten."
Vers 5
Om dezen wind, deez' storm t' ontkomen.
O HEER, laat hen Uw vuur verslinden;
Verdeel hun tong, verwar hun spraak;
Want twist en wrevel, haat en wraak
Zijn in de stad alom te vinden.
Vers 6
Omringen die haar op haar muren;
Geen recht, geen onschuld kan er baten;
Maar binnen in haar heerst de twist,
Het wreed verderf, de snode list,
't Bedrog wijkt nimmer van haar straten.
Vers 7
Dan kon, dan zou ik dit verdragen;
Maar 't was mijn hater niet vóór dezen,
Die tegen mij zich thans verheft;
'k Had anders wel 't gevaar beseft,
En zou voor hem verborgen wezen.
Vers 8
Dien ik, gelijk mij zelf, waardeerde,
Met wien 'k gemeenzaam placht te hand'len,
Mijn leidsman, met mij eensgezind,
Met wien ik raadpleegd', als mijn vrind,
En samen naar Gods huis mocht wand'len.
Vers 9
En levend stort' in 't diepst der helle;
Want boosheid huisvest in de harten
En tenten van dit boze rot.
Maar ik zal roepen tot mijn God,
Die mij zal redden uit mijn smarten.
Vers 10
'k Zal 's morgens kermen, 's middags wenen,
En God zal op mijn bede merken;
Die God, Die mij van dezen strijd
In vreê door Zijnen arm bevrijdt,
Hoe velen ook mijn val bewerken.
Vers 11
Die God, die reeds van oude dagen
Als rechter zat, om 't kwaad te weren;
Dewijl dit volk, de tucht ontwend,
In 't minste geen verand'ring kent,
En God noch vrezen wil, noch eren.
Vers 12
Geen vreêgenootschap kan hem binden;
Hij schendt verbonden, speelt met eden;
Hij vleit, en gladder is zijn mond
Dan boter, maar zijns harten grond
Is vol van krijg en bitterheden.
Vers 13
Maar spies noch zwaard kan scherper steken.
Mijn ziel, God zal u onderhouden;
Werpt uwe zorgen op den HEER;
Zijn trouwe gunst duldt nimmermeer,
Dat die Hem vrezen, wank'len zouden.
Vers 14
En zult hen doen ten afgrond dalen;
Wie op bedrog zijn hoop wil bouwen,
En dorst naar bloed, dien kort Uw straf
De helft van zijne dagen af;
Maar ik, ik zal op U vertrouwen.
Hintergrund
Psalm 55 is geschreven door koning David en is een gebed van vertrouwen in tijden van nood en verdrukking. De historische achtergrond van deze psalm is waarschijnlijk de rebellie van Absalom tegen zijn vader David. Theologisch gezien is deze psalm een voorbeeld van hoe gelovigen in moeilijke tijden tot God kunnen bidden en op Hem kunnen vertrouwen.
Kernbotschaft
De kernboodschap van deze psalm is dat God onze nood ziet en ons zal verlossen. David vraagt God om zijn gebed te verhoren en om zijn vijanden te straffen. De psalm eindigt met een belofte van Gods trouw en David vertrouwt op God om hem te redden.
Für heute
Vandaag kunnen we Psalm 55 toepassen door te bidden om Gods hulp in moeilijke tijden. We kunnen ons ook realiseren dat Gods trouw en verlossing niet alleen voor David waren, maar ook voor ons. We kunnen ons vertrouwen op God stellen en weten dat Hij ons zal helpen in ons lijden.
Vertiefungsfragen
Hoe kunnen we in moeilijke tijden ons vertrouwen op God stellen?
Wat zijn manieren waarop God ons kan verlossen van ons lijden?
Hoe kunnen we anderen helpen die in moeilijke tijden verkeren door hen te laten zien dat God onze nood ziet en ons zal verlossen?
Die KI nutzt den Psalmtext und die Erläuterung als Kontext.
KI kann Fehler machen. Basierend auf Psalmtext und christlicher Exegese.