Psalm 19
De schepping en de wet
Boek I · 1773
Vers 1
Vertelt, met blijden mond,
Gods eer en heerlijkheid;
De heldre lucht en 't zwerk
Verkondigen Zijn werk,
En prijzen Zijn beleid.
Dus kan ons dag bij dag,
Tot roem van Gods gezag,
Zijn wonderen verhalen;
Dus weet ons nacht bij nacht
Zijn onbegrensde macht
En wijsheid af te malen.
Vers 2
Luidt deze hemeltoon!
Daar is geen spraak, of oord,
Daar is geen volk bekend,
Dat, zelfs tot 's werelds end,
Der heem'len stem niet hoort.
Hun evenredigheid
Heeft zich zo wijd verspreid,
Hun rede klinkt zo krachtig,
Dat z' al, wat d' aard' bewoont,
Het merk eens Scheppers toont,
Zo gunstrijk als almachtig.
Vers 3
De zon, een tent gesticht,
Van waar z' in 't blinkend kleed,
En met een blij gelaat,
Gelijk een bruigom gaat,
Die uit zijn slaapzaal treedt.
Z' is vrolijk, als een held,
Die in 't bestemde veld
Zijn vuur en vaart doet blijken;
Zij heeft haar zwaai en spoor
Den gansen hemel door;
Niets kan haar gloed ontwijken.
Vers 4
Verspreidt volmaakter glans,
Dewijl zij 't hart bekeert.
't Is Gods getuigenis,
Dat eeuwig zeker is,
En slechten wijsheid leert.
Wat Gods bevel ons zegt,
Vertoont ons 't heiligst recht,
En kan geen kwaad gedogen.
Zijn wil, die 't hart verheugt,
Eist zuiverheid en deugd,
Verlicht de duist're ogen.
Vers 5
Zij opent een fontein
Van heil, dat nooit vergaat.
Zijn dierb're leer verspreidt
Een straal van billijkheid,
Daar z' all' onwaarheid haat.
Z' is 't mensdom meerder waard,
Dan 't fijnste goud op aard';
Niets kan haar glans verdoven;
Zij streeft in heilzaam zoet,
Tot streling van 't gemoed,
Den honig ver te boven.
Vers 6
O God een klaar bericht.
Wat is 't vooruitzicht schoon!
Hij, die op U vertrouwt,
Uw wetten onderhoudt,
Vindt daarin groten loon.
Maar, HEER, wie is de man,
Die op 't nauwkeurigst kan
Zijn dwalingen doorgronden?
O bron van 't hoogste goed,
Was, reinig mijn gemoed
Van mijn verborgen zonden.
Vers 7
Dat hij zijn hart niet hecht,
Aan dwaze hovaardij.
Heerst die in mij niet meer,
Dan leef ik tot Uw eer,
Van grote zonden vrij.
Laat U mijn tong en mond,
En 's harten diepsten grond,
Toch welbehaaglijk wezen.
O HEER, die mij verblijdt,
Mijn rots en losser zijt,
Dan heb ik niets te vrezen.
Achtergrond
Psalm 19 is geschreven door koning David en valt onder Boek I van de Psalmen. De psalm richt zich op de lof van God voor Zijn schepping en de waarde van Zijn wet. Historisch en theologisch gezien biedt deze psalm een diepgaande kijk op het verband tussen Gods schepping en Zijn openbaring aan de mens.
Kernboodschap
De kernboodschap van Psalm 19 is dat Gods schepping en Zijn wet beiden getuigen van Zijn grootheid en wijsheid. De psalm benadrukt het belang van het luisteren naar Gods stem, zowel doorheen de natuur als doorheen Zijn Woord. Dit roept de lezer op om God te verheerlijken en Zijn wil te volgen.
Voor vandaag
Voor vandaag betekent dit dat wij onze eigen relatie met Gods schepping en Zijn wet moeten overwegen. Wij kunnen onze dankbaarheid voor de schepping uitspreken en ons inzetten om Gods wet in onze levens te volgen. Door dit te doen, kunnen wij een diepere verbinding met God ervaren en Zijn goedheid en wijsheid in ons eigen leven ontdekken.
Verdiepingsvragen
Hoe kan ik Gods aanwezigheid in de natuur beter leren waarderen en erdoor geleid worden?
Welke concrete stappen kan ik nemen om Gods wet in mijn dagelijks leven toe te passen?
Hoe kan ik Gods stem beter leren horen en erkennen in mijn eigen leven enkele keuzes?
De AI heeft de psalmtekst en het inzicht als context.
AI kan fouten maken. Gebaseerd op psalmtekst en christelijke exegese.