Psalm 105
Hij gedenkt zijn verbond tot in eeuwigheid
Het verbond · 1773
Vers 1
Aanbidt Zijn naam, en wilt Hem eren;
Doet Zijne glorierijke daân
Alom den volkeren verstaan,
En spreekt, met aandacht en ontzag,
Van Zijne wond'ren dag aan dag.
Vers 2
Zingt, zingt den Hoogste vreugdepsalmen;
Beroemt u in Zijn heil'gen naam;
Dat die Hem zoeken, nu te zaâm
Hun hart verenen tot Zijn eer,
En zich verblijden in den HEER!
Vers 3
Naar Hem, die al uw heil bewerkte;
Zoekt dagelijks Zijn aangezicht;
Gedenkt aan 't geen Hij heeft verricht,
Aan Zijn doorluchte wonderdaân;
En wilt Zijn straffen gadeslaan.
Vers 4
Dat zoveel gunsten hebt genoten,
Gij Jacob's kind'ren, die de HEER
Heeft uitverkoren, meldt Zijn eer.
De HEER is onze God, die d' aard'
Alom door Zijn gericht vervaart.
Vers 5
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,
Tot in het duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, Zijn vrind,
Bevestigt Hij van kind tot kind.
Vers 6
Heeft Hij ook aan Zijn uitverkoren',
Aan Jacob, tot een wet gesteld,
Van al 't beloofde heil verzeld,
En aan gans Isrel toegezeid
Tot Zijn verbond in eeuwigheid.
Vers 7
'k Zal Kanân leev'ren in uw handen,
't Welk 't snoer uws erfdeels wezen zal."
Het volk was weinig in getal,
't Verkeerde daar als vreemdeling,
Toen 't zulk een gunstrijk woord ontving.
Vers 8
Zijn zij van volk tot volk getogen,
Van 't één naar 't ander rijksgebied.
Hij duldde hun verdrukking niet,
Maar heeft zelfs vorsten op dien tocht,
Om hunnentwil, met straf bezocht.
Vers 9
"Tast Mijn gezalfden, Mijn profeten,
Niet aan door enig leed of schand'."
Hij riep een honger in het land;
Hij brak, vergramd, den staf des broods,
En 't volk kwam in gevaar des doods'.
Vers 10
Een man werd voor hen heengezonden:
De vrome Jozef, rijk in deugd,
Tot slaaf verkocht in zijne jeugd,
In ijz'ren boeien wreed gekneld,
Werd, hun tot heil, in eer gesteld.
Vers 11
Beproefd was: toen voor aller ogen
Zijn woord in 't helder daglicht scheen;
Toen bood de koning, om zijn reên
Verbaasd, hem straks de vrijheid aan;
Der volken HEER deed hem ontslaan.
Vers 12
't Bestier van huis en goed en landen;
Dies bond hij vorsten naar zijn lust.
Van zijn verstand en deugd bewust,
Deed gans Egypte's opperheer,
Al d' oudsten luist'ren naar zijn leer.
Vers 13
Door nooddruft, tot behoud van 't leven,
Naar 't rijk Egypte; Jacob kwam
Als vreemdeling in 't land van Cham.
Daar groeid' en bloeide zijn geslacht,
En overtrof zijns vijands macht.
Vers 14
Die eertijds Isrel gunstig waren,
Verkeerden toen in bitt'ren haat.
Des HEEREN volk werd bits versmaad;
Men smeedde lagen tot hun val,
Verdrukking trof hun overal.
Vers 15
Door Hem met Aron was verkoren;
Zij beiden voerden Gods besluit
Door tekenen en wond'ren uit,
En toonden in Egypteland
De plagen van Zijn strenge hand.
Vers 16
Met duisternissen overtogen.
Niets wederstreefde 't hoog bevel
Van God, den God van Israël,
Die beek en bron verkeerd' in bloed,
Den vis deed sterven in dien vloed.
Vers 17
Een machtig heir van vorsen komen,
Dat doordrong tot in 's konings hof.
De luizen kwamen voort uit stof.
God sprak, en een ontelb're drom
Van ongedierte zweefd' alom.
Vers 18
Zijn hagel neer, die allerwegen,
Met een verslindend vuur gepaard,
Den frissen wijnstok sloeg ter aard';
Den vijgeboom, met kruin en tak,
En al het vruchtgeboomte brak.
Vers 19
Gelijk een talloos leger, samen;
Verslonden, wat het aardrijk gaf.
Toen heeft God, als de zwaarste straf,
Al d' eerstelingen hunner kracht,
Hun eerstgeboor'nen omgebracht.
Vers 20
Daar niemand struikeld' in zijn schreden,
Met zilver en met goud belaân,
Blijmoedig uit Egypte gaan.
Toen juicht' om hun vertrek al 't land,
Daar 't al door schrik was overmand.
Vers 21
Bij dag te hoeden voor gevaren.
Hij gaf hun, door Zijn hoog bestuur,
Des nachts ten licht een wondervuur.
Zij baden, en hun Opperheer
Zond straks een heir van kwakk'len neer.
Vers 22
Met manna, hemels brood, verzadigd.
Gods hand bracht, in dat dorre oord,
Rivieren uit een steenrots voort.
Hij dacht aan 't geen Hij aan Zijn knecht,
Aan Abraham, had toegezegd.
Vers 23
Al juichend uit, op Gods begeren.
Het land der heid'nen van rondom,
Schonk Hij hun tot een eigendom;
Der volken arbeid werd geheel
Aan Israël ten erf'lijk deel.
Vers 24
Opdat het altoos Hem zou vrezen,
Zijn wet betrachten, en voortaan
Volstandig op Zijn wegen gaan.
Men roem' dan d' Oppermajesteit
Om zoveel gunst, in eeuwigheid.
Achtergrond
Psalm 105 is een psalm die de geschiedenis van Israël beschrijft vanaf de beloften aan Abraham tot de intocht in het Beloofde Land. Deze psalm geeft een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van Israël en legt de nadruk op Gods trouw en zijn verbond met zijn volk. De psalm is ook een oproep tot lof en aanbidding van God voor zijn grote daden.
Kernboodschap
De kernboodschap van deze psalm is dat God trouw is aan zijn verbond en zijn beloften nakomt, zelfs als zijn volk zwak en zondig is. De psalm moedigt de lezer aan om God te loven en te eren voor zijn grote daden en om zijn woord te gehoorzamen. De psalm benadrukt ook de belangrijkheid van het verbond en de relatie tussen God en zijn volk.
Voor vandaag
Vandaag kunnen we deze psalm toepassen door ons te herinneren aan Gods trouw en zijn beloften in ons eigen leven. We kunnen ons laten inspireren door de verhalen uit de Bijbel en ons vertrouwen stellen op Gods goedheid en zijn macht. We kunnen ook onze relatie met God verdiepen door ons te richten op zijn woord en ons te laten leiden door zijn Geest.
Verdiepingsvragen
Hoe kunnen we ons vertrouwen stellen op Gods goedheid en zijn macht in moeilijke tijden?
Wat zijn enkele manieren waarop we Gods trouw en zijn verbond kunnen ervaren in ons dagelijks leven?
Hoe kunnen we onze dankbaarheid en lof uitdrukken voor Gods grote daden in ons leven en in de geschiedenis van de kerk?
De AI heeft de psalmtekst en het inzicht als context.
AI kan fouten maken. Gebaseerd op psalmtekst en christelijke exegese.