Psalm 109
In ruil voor mijn liefde staan zij mij tegen
Vriendschap en verraad · 1773
Vers 1
Zwijg niet, laat mij mijn recht erlangen;
De boze, die bedrog durft plegen,
Staat, wars van deugd, mij bitter tegen;
Hij heeft zijn mond wijd opgedaan,
Mij met een valse tong verraân.
Vers 2
Die mij, als priemen, 't hart doorboorden;
Ik werd op 't allerfelst bestreden;
Verdrukt, mishandeld tegen reden;
'k Heb voor mijn liefde haat behaald;
Ik bad, maar 'k werd met vloek betaald.
Vers 3
Voor liefde haat; mijn deugd gescholden.
Gij, God der wraak, straf dezen boze,
Stel over hem een goddeloze;
De satan biê hem tegenstand,
En sta aan zijne rechterhand.
Vers 4
Verdrijf hem van Uw aangezichte;
Houdt zijn gebeden zelfs voor zonden;
Hij heeft zich tegen God verbonden;
Verkort zijn dagen; vel hem neer;
Een ander neem' zijn ambt en eer.
Vers 5
Zijn vrouw als weduw' hulp'loos vrezen;
Laat hier en ginds zijn kind'ren zwerven,
Steeds beed'len en de nooddruft derven,
Die 't huisgezin, gesmaad, gevloekt,
Uit zijn verwoeste plaatsen zoekt.
Vers 6
Word' om zijn schulden aangeslagen;
Hij zie de vrucht van al zijn sloven
Door woeste vreemdelingen roven;
Dat niemand hem in nood verblij',
Of zijnen wezen gunstig zij.
Vers 7
Roei uit al zijn nakomelingen;
En dat in 't volgende geslachte
Elk hun verstorven naam verachte;
Der vaad'ren misdaad zelfs verschaff'
Den HEERE reden tot zijn straf.
Vers 8
De zonde zijner moeder wisse;
Laat die, door God hun toegerekend,
Gedurig staan voor Hem getekend;
Dat God daarover steeds Zich belg',
En hunnen naam van d' aard' verdelg';
Vers 9
Het weldoen trouw'loos heeft vergeten,
En de ellendigen en armen
Vervolgd' in plaats van zich t' erbarmen;
Ja, den verslagene van geest
Is tot een moordenaar geweest.
Vers 10
Laat dan dien vloek hem overkomen;
Hij heeft geen lust gehad tot zegen;
Dies word' die nooit van hem verkregen;
Maar dat de vloek hem overdekk',
En tot een aak'lig kleed verstrekk'.
Vers 11
Tot in zijn hart, als water, dringen;
Als olie, rijkelijk geschonken,
En door de beend'ren ingedronken;
Dat hem die vloek zijn deksel geev',
En als een gordel aan hem kleev'.
Vers 12
Die zo godd'loos mij aan durft randen,
En met zijn lastertong mij doden!
Maar Gij, o HEER, o God der goden,
Dat Uwe hand mij heil bestell';
Doe om Uws naams wil aan mij wèl.
Vers 13
Verlos mij dan, ik ben ellendig,
Nooddruftig, 'k voel mijn kracht verbroken,
Mijn hart met wond op wond doorstoken;
Ik ga gelijk de schaduw heen,
Wanneer de zon snelt naar beneên.
Vers 14
Berg ik nu hier, dan daar, mijn leven;
Mijn knieën weig'ren mij te schragen,
En 't afgematte lijf te dragen;
Mijn vlees is mager, uitgeteerd,
Zodat het alle vet ontbeert.
Vers 15
Nog gaan zij voort met mij te smaden,
Met mij, al schimpende, te groeten;
Zij schudden 't hoofd, die mij ontmoeten.
O HEER, help mij, die U verbeidt,
Naar Uwe goedertierenheid.
Vers 16
Dat Uwe hand mij wil bevrijden,
Dat Gij, o HEER, mijn recht doet gelden.
Laat hen dan vloeken, last'ren, schelden;
Maar zegen Gij mij, o mijn God;
Gij zijt mijn erfdeel, en mijn lot.
Vers 17
Maar dat het heil Uw knecht verblijde;
Dat schande mijnen vijand dekke,
Dat schaamte hem ten kleed verstrekke,
Dat zij hem tot een mantel dien',
Waarmee wij hem omhangen zien.
Vers 18
'k Zal Hem bij velen eer bewijzen;
Want Hij zal zich gewis erbarmen,
En staan ter rechterhand des armen;
Hem redden uit het snood gericht,
Waar 't vonnis tot zijn doodstraf ligt.
Achtergrond
Psalm 109 wordt beschouwd als een van de meest problematische psalmen in de Bijbel, gezien de expliciete oproep tot wraak en vloek over de vijanden. Historisch gezien wordt vermoed dat deze psalm is geschreven in een periode van vervolging en onderdrukking van het volk Israël. Theologisch gezien geeft deze psalm inzicht in de complexe relatie tussen God en de mens, waarin rechtvaardigheid en genade centraal staan.
Kernboodschap
De kernboodschap van Psalm 109 draait om de strijd tussen goed en kwaad, en de oproep tot God om recht te spreken over degenen die het kwade in de wereld brengen. De psalmist spreekt over zijn eigen ervaringen van verraad en verdrukking, en zoekt troost en verlossing bij God. Ondanks de soms extreme taal, gaat de psalm uiteindelijk over de zoektocht naar gerechtigheid en de verlanging naar Gods redding.
Voor vandaag
Vandaag de dag kan Psalm 109 ons helpen om onze eigen ervaringen van verdrukking en verraad in perspectief te plaatsen, en om te zoeken naar Gods genade en rechtvaardigheid in ons leven. We kunnen leren om onze vijanden niet te haten, maar om te bidden voor hun bekering en om Gods liefde en vergeving te zoeken, zelfs in de moeilijkste situaties. Door deze psalm te lezen en te overwegen, kunnen we dieper inzicht krijgen in onze eigen relatie met God en met anderen.
Verdiepingsvragen
Hoe kunnen we ons eigen lijden en verdrukking in relatie tot Gods rechtvaardigheid en genade zien?
Wat betekent het om 'Gods genade en rechtvaardigheid' in ons leven te zoeken, en hoe kunnen we dat doen in de praktijk?
Hoe kunnen we onze reactie op verraad en verdrukking veranderen, van haat en wraak naar liefde en vergeving?
De AI heeft de psalmtekst en het inzicht als context.
AI kan fouten maken. Gebaseerd op psalmtekst en christelijke exegese.