Hoor, HEERE, mijn gebeden toch;
wil mijn geschrei om recht bemerken.
Verhoor mij, wil mijn heil bewerken.
'k Vermoei U niet met vals bedrog.
Wilt U, o God, mijn zaken richten
en recht doen naar gerechtigheid?
Uw ogen zien de billijkheid.
Doe dan Uw aangezicht mij lichten.
U hebt mijn hart geheel doorgrond,
ja, ook beproefd in donk're nachten,
maar niets gevonden. Mijn gedachten
verlaten nimmer vals mijn mond.
En wat betreft der mensen wegen:
ik heb mij naar Uw woord gewacht
voor paden waar men 't kwaad betracht,
voor rovers en die inbraak plegen.
Ik heb mijn voeten vastgezet
op wegen die U hebt gewezen,
opdat Uw wet, mij voorgelezen,
mijn wankelen of val belet.
Ik roep U aan in mijn ellenden,
want U verhoort mij steeds, o God.
Neig dan Uw oor, aanschouw mijn lot,
waarvoor ik mij tot U wil wenden.
Laat Uw genade wonderbaar
en heerlijk schijnen in 't benauwen.
U redt hen die op U vertrouwen;
Uw vijand brengt mij in gevaar.
Wil mij, door U beschut, bewaren,
beschermd als d' appel van het oog;
de schaduw van Uw vleugels moog'
mijn schuilplaats zijn in mijn gevaren.
Bewaar mij voor die goddeloos
mij kwetsen en mij vals bespringen,
mijn vijanden, die mij omringen;
hun oogmerk is in alles boos.
Hun weelde maakt hen overmoedig.
Zij spreken trots en lopen rond
om ons, die bukken op de grond,
te zien in rampen overvloedig.
Mijn vijand is een leeuw gelijk,
die roven wil met sterk verlangen,
een jonge leeuw, die buit wil vangen;
hij loert terwijl ik naar hem kijk.
Sta op en wil hem nedervellen,
o HEERE, stel voor zijn gezicht
Uw zwaard, dat steeds rechtvaardig richt;
bevrijd mij van zijn godd'loos kwellen.
Bevrijd mij van de grote schaar,
wier deel is in dit aardse leven.
Al wat de wereld hun kan geven,
is hun genoeg van jaar tot jaar.
Hun buik vervult U met Uw gaven;
zij eten wat U groeien doet.
Hun kroost zoekt ook geen hoger goed,
en niets gaat met hen in hun graven.
Maar ik zal U zien, God getrouw,
U in gerechtigheid genaken,
als ik U straks, na mijn ontwaken,
verzadigd met Uw beeld, aanschouw.