O Heere, doe mij recht!
Ik wandel toch oprecht?
Ik bouw op God en wankel niet.
Beproef en toets mij, Heere,
doorzoek mijn hart en nieren.
U, Die mij helemaal doorziet.
Vers 2
Ik wandel voor altijd
in Uw betrouwbaarheid.
Uw trouw blijft mij voor ogen staan.
Zij die in list en leugen
zich heel de dag verheugen -
bij hen zal ik niet binnengaan.
Vers 3
De mensen die ik haat,
zijn werkers van het kwaad.
Bij goddelozen zit ik niet.
Ik kom met schone handen.
Daar waar de offers branden,
prijs ik U dankbaar in mijn lied.
Vers 4
Waar ik U eer en roem,
Uw wonderen benoem,
daar weet ik mij het meeste thuis.
Uw tabernakel, Heere,
Uw woonplaats wil ik eren.
Mijn hele hart houdt van Uw huis!
Vers 5
De zondaars krijgen straf,
maar red mij van het graf,
wanneer hun kwaad wordt onderzocht.
Zij kleden zich met schande,
het bloed kleeft aan hun handen,
zij worden zomaar omgekocht.
Vers 6
Ik wandel steeds oprecht.
Verlos mij, doe mij recht,
schenk Uw genade, maak mij vrij.
Ik sta vast in Uw sporen
en laat mijn loflied horen,
met Uw gemeente rondom mij.