Bewaar, o Heer, mijn recht;
Want voorwaar Uwe knecht
Wandelt in onschuld nu voortaan.
Op U staat mijn betrouwen,
In al mijn zwaar benauwen,
Daarom en zal ik niet vergaan.
Heer! doorzoek mijn gemoed,
Proef mij in tegenspoed
Aan den proefsteen, in mijn ellend',
Mijn hart en ook mijn nieren
Proef toch, Heer! met den vieren,
Opdat ik recht werde bekend.
Want Heer! de ogen mijn
Vast'lijk geslagen zijn
Op Uwe genaad' en goedheid;
En ik leide mijn leven
Naar den regel voorschreven.
Ik wandel in Uwe waarheid.
Der leugensprekers boos
Verzameling zeer loos,
Ik altijd, o Heer! haten zal.
Met schalke mensen listig,
Die vals zijn ende twistig.
Heb ik niets gemeens overal.
Heer! der godd'lozen kerk,
Haar ergheid en haar werk
Haat ik altijd uit 's harten grond;
Bij de schalken en bozen,
Noch ook bij de godd'lozen
En zit ik, Heer! tot genen stond.
Ik was mijn handen rein
Met onschuld in 't gemein;
Ik geve mij tot 't goed eenpaar,
En God, tot Uw off'randen
Schoon en zeer velerhanden
Die men doet op Uwen altaar.
Opdat ik daar Uw eer
En heerlijkheid, o Heer!
Zingen mag overluid en klaar;
En Uwe wonderwerken
Zeer groot, zo men kan merken,
Mag verkonden in 't openbaar.
Ik heb, Heere! bemind
En hartelijk bezind
Uw schoon huis, waar Gij wonen wilt;
De plaats daar men verkondet,
En ook altijd vermondet
Uwen lof en prijs, Heere mild.
Laat mij niet zijn geteld,
Geplaagd, noch ook gekweld
Met de boosdoeners obstinaat;
Neem toch niet weg mijn leven
Met die, die hen begeven
Tot bloed storten uit nijd en haat.
De verraders vol nijd,
Uit listen, haat en spijt,
Verklagen mij met onrecht groot;
Zij lopen en slaven
Om geschenken en gaven,
Die hen haast brengen tot der dood.
Maar ik wil, Heere! gaan
Vromelijk en bestaan
In eenvoud met een oprecht hart.
Wees mij toch nu genadig,
O mijn God zeer weldadig!
Verlos mij uit angst ende smart.
Ik zie Heer! dat Gij mij
Hebt opgericht en vrij
Gesteld op Uwen weg eerbaar;
Dies wil ik U, Heer! prijzen,
Zingen en eer bewijzen,
In 't midden Uwes volks eenpaar.
Tekst: Petrus Datheen