Ik sla mijn ogen op en zie
de hoge bergen aan, waar komt mijn hulp vandaan ?
Mijn hulp is van mijn Heere, die
dit alles heeft geschapen. Mijn herder zal niet slapen.
Vers 2
Uw wankle voeten zet Hij vast,
als gij geen uitkomst ziet: uw wachter sluimert niet !
Zijn oog wordt door geen slaap verrast,
Hij wil, als steeds voor dezen, Israëls wachter wezen.
Vers 3
De Heer brengt al uw heil tot stand,
des daags en in de nacht houdt Hij voor u de wacht.
Uw schaduw aan uw rechterhand:
de zon zal u niet schaden, de maan doet niets ten kwade.
Vers 4
De Heer zal u steeds gadeslaan,
Hij maakt het kwade goed, Hij is het die u hoedt.
Hij zal uw komen en uw gaan,
wat u mag wedervaren, in eeuwigheid bewaren.