Uit diepten van ellende roep ik tot U, o Heer.
Gij kunt verlossing zenden, ik werp voor U mij neer.
O laat uw oor zich neigen tot mij, tot mijn gebed.
Laat mij gehoor verkrijgen, red mij, o Heere, red !
Vers 2
Zoudt Gij indachtig wezen al wat een mens misdeed,
wie zou nog kunnen leven in al zijn angst en leed ?
Maar Gij wilt ons vergeven, Gij scheldt de schulden kwijt,
opdat wij zouden vrezen uw goedertierenheid.
Vers 3
Ik heb mijn hoop gevestigd op God den Heer die hoort.
Mijn hart, hoezeer onrustig, wacht zijn verlossend woord.
Nog meer dan in de nachten wachters het morgenlicht,
blijf ik, o Heer, verwachten uw lichtend aangezicht.
Vers 4
Gij al Gods bondgenoten, ziet naar zijn toekomst uit !
De Heer is vast besloten tot goedertierenheid !
Hoort aan de goede tijding: Hij geeft in zijn geduld
aan Israël bevrijding van onrecht en van schuld.