Groot Koning is de Heer. Volken, bewijst Hem eer,
breek uit in jubel, aarde, nu Hij de macht aanvaardde.
De landen wijd en zijd zijn in zijn naam verblijd.
Op recht en op gericht heeft Hij zijn troon gesticht
in de verborgenheid.
Vers 2
Een vuur, een laaiend licht gaat voor zijn aangezicht,
het schroeit die Hem genaken, verzengt die aan Hem raken.
Als Hij zijn bliksem slaat, beeft alles wat bestaat;
wat hoog verheven was, 't gebergte brandt tot as
voor zijn vertoornd gelaat.
Vers 3
De hemel, Heer, verbreidt alom uw majesteit,
uw glorie komt getogen voor aller volken ogen.
Hen, die zich wendden tot een beeld, een leugengod,
hebt Gij beschaamd, o Heer; gij goden, buigt u neer:
Hij heeft uw macht geknot.
Vers 4
God trad voor ons in 't krijt. Uw volk, Heer, is verblijd.
Hoor, Sions dochters zingen van uwe rechtsgedingen.
O Koning van 't heelal, die eeuwig heersen zal,
hoog boven godenmacht verheft Gij U en lacht.
Wij juichen om hun val.
Vers 5
Gij die God liefhebt, haat hetgeen Hem tegenstaat.
Hij heeft zijn hart ontsloten voor al zijn gunstgenoten.
Hij redt u uit de hand van die u overmant;
uw leven is bewaard bij Hem die heerst op aard;
de Heer strijdt aan uw kant.
Vers 6
Gods heil, Gods glorie staat licht als de dageraad
reeds voor het oog te gloren van wie Hem toebehoren.
Een vreugde van de Heer stroomt in hun harten neer.
Gij die rechtvaardig zijt, weest in de Heer verblijd.
Zijn naam zij lof en eer !