Tot de bergen hef ik op mijn Ogen, ende vandaar Verwacht ik hulp eenpaar. Maar op God Die gemaakt heeft fijn Hemel en aard' in 't ronde, Wil ik mij vast'lijk gronden.
Vers 2
God zal niet laten uwen voet Struikelen, want altijd Waakt Hij en u bevrijdt. Hij slaapt niet, Die Israël hoedt, Maar waakt aan alle zijden, En sluimt tot genen tijden.
Vers 3
God zal van boven u bijstaan, Die u ter rechterhand Staat tot uwen bijstand, 's Daags zal u de zonne niet slaan, De mane koud met schaden, Zal u 's nachts niet beladen.
Vers 4
God behoedt u voortaan van kwaad; Hij zal uw ziel voorwaar Behoeden voor gevaar; En als gij uit- of ook ingaat, Zal Hij u steeds bevrijden En met gaven verblijden.