Een Koning is de Heer, Dies moet verblijden zeer In Hem dat gans aardrijke, D' eilanden desgelijke; Der wolken duisterheid Verbergt Zijn Majesteit En Zijn stoel metterdaad, Zeer vastelijk bestaat Door Zijn gerechtigheid.
Vers 2
Een groot vuur voor Hem gaat, 't Welk rondomme verslaat, En doet al Zijn vijanden Gans tot asse verbranden. Den bliksem fel Hij schiet Over 't aardrijk met vliet, Hij weerlicht hier en daar, 't Aardrijk is vol gevaar En beeft als 't dit aanziet.
Vers 3
De bergen niet bestaan, Maar als dat was vergaan Voor God, een Heerser machtig Des aardbodems zeer krachtig. De hemelen doen kond, En 't firmament vermondt Gods gerechtigheid goed; En 't aardrijk bemerkt vroed. Zijn eer tot dezer stond.
Vers 4
Dat zij werden beschaamd, Die daar ('t welk niet betaamt) Tot beelden zijn gevloden En dienen de afgoden. Gij eng'len al te zaam Aanbidt den Heer bekwaam. Sion, die Godes woord Met vreugde heeft gehoord, Verblijd in Zijnen Naam.
Vers 5
O Heer, Uw regiment Den dochteren bekend Van Juda uitgelezen, Werd zeer van haar geprezen. Want Gij nu verhoogd zijt In alle landen wijd; Meer zijt Gij door Uw kracht Dan de goden geacht, Nu en tot allen tijd.
Vers 6
Gij, die den Heer bemint En hartelijk bezint, Wilt toch de boosheid haten En ganselijk verlaten; Want God 't leven bewaart Zijner knechten vermaard. Die Hij verlossen zal Van de godd'lozen al, En maken z' onbezwaard.
Vers 7
Den vromen zal voortaan 't Licht des troostes opgaan; Blijdschap komt na veel smarten Allen oprechten harten. Komt dan, gij vromen rein, Verblijdt u groot en klein; In den Heer u verheugt En prijst (zijnde vol vreugd) Zijn goedheid in 't gemein.