Psalm 130

Vers 1

Uit de diepten, o Heere,
Mijner benauwdheid groot,
Roep ik tot U gaar zere,
In mijnen angst en nood.
Heer, wil mijn stem verhoren;
Want het nu tijd zijn zal;
Laat komen tot Uw oren
Mijn klachtig bidden al.

Vers 2

Wilt Gij met ernst de zonden
Toerekenen voortaan;
Wie kan t' eniger stonden
In Uw oordeel bestaan?
Maar Gij wilt, Heer, vergeven
De zonden minst en meest;
Dies zijt Gij in dit leven
Zeer bemind en gevreesd.

Vers 3

Den Heer wil ik verwachten,
Mijn ziel staat altijd voort
Op Hem; met ganse krachten
Hoop ik vast op Zijn woord.
Mijn ziel verwacht lankmoedig
Van d' een nachtwake zwaar,
Totdat d' ander komt spoedig,
En de dag opstaat klaar.

Vers 4

Dat Israël vast bouwe
Op God de hope zijn;
Want vol genaad' en trouwe
Is de Heer en God mijn.
Hij is 't, Die onbezweken
Israël gans bevrijdt
Van zonden en gebreken,
Die Hij meteen scheldt kwijt.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen