Uit de diepten, o Heere, Mijner benauwdheid groot, Roep ik tot U gaar zere, In mijnen angst en nood. Heer, wil mijn stem verhoren; Want het nu tijd zijn zal; Laat komen tot Uw oren Mijn klachtig bidden al.
Vers 2
Wilt Gij met ernst de zonden Toerekenen voortaan; Wie kan t' eniger stonden In Uw oordeel bestaan? Maar Gij wilt, Heer, vergeven De zonden minst en meest; Dies zijt Gij in dit leven Zeer bemind en gevreesd.
Vers 3
Den Heer wil ik verwachten, Mijn ziel staat altijd voort Op Hem; met ganse krachten Hoop ik vast op Zijn woord. Mijn ziel verwacht lankmoedig Van d' een nachtwake zwaar, Totdat d' ander komt spoedig, En de dag opstaat klaar.
Vers 4
Dat Israël vast bouwe Op God de hope zijn; Want vol genaad' en trouwe Is de Heer en God mijn. Hij is 't, Die onbezweken Israël gans bevrijdt Van zonden en gebreken, Die Hij meteen scheldt kwijt.