Psalm 101

Vers 1

Van Gods goedheid en oordeel wil ik zingen;
Ik wil Hem schone lofpsalmen toebringen,
Daarmee dat ik God den Heer bovenal
Grootmaken zal.

Vers 2

Ik wil wand'len met oprechten gemoede;
Wann' zal ik heersen met vreed' in voorspoede?
Dan wil ik mijn volk trouwelijk bijstaan
En voren gaan.

Vers 3

Van de boosheid heb ik, Heer, een afgrijzen;
En die anders met der daad niet bewijzen
Dan ergheid, die zullen in dat huis mijn
Nimmermeer zijn.

Vers 4

Ook de verkeerde mensen altemale
Moeten wijken uit mijn hof en mijn zale;
Hij zal van mij, die hem tot boosheid wendt,
Niet zijn gekend.

Vers 5

Die met achterklap haren naasten schaden,
Die met grootsheid en hoogmoed is beladen,
Die zal ik zamen uitroeien met vliet,
En lijden niet.

Vers 6

Mijn ogen zullen zien naar de oprechten,
Opdat zulken mogen wezen mijn knechten;
Mij zullen dienen, die vroom ende goed
Zijn van gemoed.

Vers 7

Die tot bedrog en list hem wil begeven,
Die zal van mij in dienst niet zijn verheven;
De leugenspreker en zal ook bij mij,
Niet wezen vrij.

Vers 8

Vroeg met ernst zal ik drijven uit den lande
De bozen all', en t' zaam brengen te schande;
Opdat Gods huis van boosheid groot en klein
Gans worde rein.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen