Van Gods goedheid en oordeel wil ik zingen; Ik wil Hem schone lofpsalmen toebringen, Daarmee dat ik God den Heer bovenal Grootmaken zal.
Vers 2
Ik wil wand'len met oprechten gemoede; Wann' zal ik heersen met vreed' in voorspoede? Dan wil ik mijn volk trouwelijk bijstaan En voren gaan.
Vers 3
Van de boosheid heb ik, Heer, een afgrijzen; En die anders met der daad niet bewijzen Dan ergheid, die zullen in dat huis mijn Nimmermeer zijn.
Vers 4
Ook de verkeerde mensen altemale Moeten wijken uit mijn hof en mijn zale; Hij zal van mij, die hem tot boosheid wendt, Niet zijn gekend.
Vers 5
Die met achterklap haren naasten schaden, Die met grootsheid en hoogmoed is beladen, Die zal ik zamen uitroeien met vliet, En lijden niet.
Vers 6
Mijn ogen zullen zien naar de oprechten, Opdat zulken mogen wezen mijn knechten; Mij zullen dienen, die vroom ende goed Zijn van gemoed.
Vers 7
Die tot bedrog en list hem wil begeven, Die zal van mij in dienst niet zijn verheven; De leugenspreker en zal ook bij mij, Niet wezen vrij.
Vers 8
Vroeg met ernst zal ik drijven uit den lande De bozen all', en t' zaam brengen te schande; Opdat Gods huis van boosheid groot en klein Gans worde rein.