Mijn hoop stel ik op U gestadig;
Wil mij bewaren, Heer,
Voor een eeuwig oneer;
Verlos mij, o mijn God genadig,
Door Uw goedheid geprezen;
Wil mij bijstandig wezen.
Help mij en neig tot mij Uw oren;
Wees toch mijn toeverlaat
In den nood mij bijstaat,
Gij hebt mij te helpen gezworen:
Geen sterkten groot noch kleine,
Heb ik dan U alleine.
Uit der bozen handen onreine,
Uit der tirannen hand,
Die geweld doen in 't land,
Help mij; want troost noch hulpe gene,
En had ik al mijn leven,
Dan U, o Heer verheven!
Zo haast als ik hier was geboren
Uit mijn moeders lichaam,
Heb ik op Uwen Naam
Mijn hoop gesteld, Heer uitverkoren!
Uwen Naam t' allen tijden
Verbreid ik met verblijden.
Men houdt mij voor een zeer vreemd wonder!
Doch Gij zijt, Heer! mijn kracht,
Mijn toevlucht dag en nacht.
Maak, dat ik mag zijn een verkonder
Uws lofs en Uwer ere,
En die steeds mag vermeren.
Als ik, Heer! oud en koud zal wezen,
En zwak vol van verdriet,
Wil mij verwerpen niet;
Als ik ook zal zijn, Heer geprezen!
Ellendig bovenmate,
Wil mij dan niet verlaten.
Want tegen mij houden te zamen,
Mijn vijanden zeer kwaad
Enen listigen raad;
En tegen mij, wreed en gruwzame,
Met een zij hen verbinden,
Die mij willen verslinden.
Zij spreken: Haast laat ons hem vangen,
Want geen hulpe voorwaar.
Vindt hij verre nog naar.
Dies wil van mij in dit verlangen
Niet wijken; maar u Heere,
Tot mijn hulp haasten zere.
De haters die mij staan naar 't leven,
Moeten beschaamd zijn al,
En haast komen ten val;
Die tot mijn schanden hen begeven,
Laat z' o Heer! zijn misprezen
En met spot bedekt wezen.
Boven de daag'lijkse lofzangen,
Zal van mij zijn verbreid,
Heer, Uw gerechtigheid.
De gaven, die ik heb ontvangen,
Die niet zijn om doorgronden,
Zal ik altijd verkonden.
Ik zal vrijmoediglijk daar treden
En zien de werken aan,
Die Gij Heer, hebt gedaan.
Van mij werden altijd beleden
Uw oprechte voetpaden
En Uw grote weldaden.
Van jongs aan heb ik, Heer geprezen,
Uwe werken verstaan,
Daarvan doende vermaan.
Dies als ik oud en grijs zal wezen,
Wijk dan niet van mij, Heere,
Dien ik alleen verere.
Totdat ik allen, die nu leven,
En ook haren geslacht
Verklaard heb Uwe macht.
Uw oordelen zijn hoog verheven,
Daardoor Gij, zo wij merken,
Doet zeer veel wonderwerken.
Wie is met U te vergelijken?
Die mij proeft met angst groot,
Kruis en allerlei nood;
Die mij geeft van nieuws, zo 't mag blijken,
't Leven tot zijn oorboren,
't Welk scheen te zijn verloren.
Uit den diepen put onder d' aerde,
Hebt Gij mij gevoerd, Heer,
En mijn rijk verbreid zeer.
En als ik overweldigd werde,
Met Uw aangezicht krachtig,
Troost Gij mij, Heer almachtig.
Dies zal ik op den psalter spelen
En zingen met bescheid
Van Uw getrouwigheid.
God Israëls; zonder vervelen
Zal ik Uw lof voortbringen
Op de harp en U zingen.
Mijn lippen haar in U verblijden
En prijzen ook eenpaar
Uwe heerlijkheid klaar.
Mijn ziel, die Gij hebt uit dat lijden
Gebracht, die is ontsteken
Met vreugd', Heer, onbezweken.
Mijn tong wil ik U overgeven,
Om Uw gerechtigheid
Te melden overbreid.
Gij verderft de booz' ongenadig,
Dat ze met schande sterven,
Die zoeken mijn verderven.
Tekst: Petrus Datheen