Hoe komt 't, dat Gij ons verstrooit, o God mijn?
Dat Uw gramschap, over ons zeer ontsteken,
Dikken rook uitwerpt, zo 't hier heeft gebleken,
Die wij toch schapen Uwer weide zijn.
Uwes volks, dat Gij hebt verworven rein,
Gedenkt toch eens, en Uw erfdeel bevrijdet;
Gedenk den berg Sion, die nu angst lijdet,
Dien Gij verlost en gekocht hebt allein.
Sta op Heer! en gans'lijk te niete doet
Den hoop der godd'loze vijanden t' zamen,
Die moedwilliglijk, zonder hen te schamen,
Uw huis wredelijk treden onder voet.
Daar Uw werken voortijds waren verteld,
Daar hoort men ze brullen en wreed'lijk tieren;
Haar schand'lijke tekenen en banieren
Hebben zij daar opgericht en gesteld.
Een ieder van hen arbeidt nu met vliet,
Om Uwen heil'gen tempel te verderven;
Met bijlen zij even houwen en kerven,
Zo zulks in enen groten bos geschiedt.
't Heerlijk schutwerk uitgesneden zo wel
't Welk een sieraad Uws huis was onderwijlen.
Hebben zij met houwmessen en met bijlen
Ontstuk gehouwen en verwoest zeer snel.
Zij hebben ook met den vure verbrand
Uw heilig huis, 't welk zeer hoog was verheven;
Zij hebben 't ook ontheiligd en daarneven
Verdorven, ja gemaakt slecht als het land,
Haast spreken zij: Laat ons deez' worgen al,
Zij hebben ook met harten zeer moorddadig,
Uw heil'ge plaatsen wreed en ongenadig
Verbrand en overal gebracht ten val.
Ach! wij zien geen tekenen meer voortaan
Uwer gunst; de profeten ons ontbreken;
Niemand wil voor ons noch strijden, noch spreken;
Wanneer zal Uwe toorn van ons toch gaan?
Hoe lang zult Gij nog dulden, o Heer!
Dat de booz' Uwen Naam zo zullen schenden?
Zal ook dat lasteren nimmermeer enden,
Daarmee zij Uwe kracht bespotten zeer?
Hoe komt 't, dat Gij Uwe hand zo stil houdt,
En over ons Uw rechterhand niet strekket?
Nochtans is 't nood, dat Gij die nog eens trekket
Uit den schoot, ter hulp Uwes volks benauwd.
Gij zijt toch mijn Koning van ouden tijd,
Die mij wilt en openlijk kunt bewaren.
Als mij zware nood hier is wedervaren;
Gij hebt mij duizendmaal daarvan bevrijd.
Gij hebt gedeeld dat meer door Uwe kracht;
De schrikk'lijke draken hebt Gij verslagen,
Zodat wij de waterkanten vol zagen
Van monsters, die Gij, Heer, hadt omgebracht.
Gij slaat den walvis, Heer, met krachten dood,
Het volk in de woestijne tot een spijze.
Gij brengt ook voort, gans op een nieuwe wijze,
Waterfonteinen uit steenrotsen groot.
Gij stilt den vloed der waterstromen breed;
Dag ende nacht hoort U toe desgelijken;
De zon en de sterren zonder afwijken,
Houdt Gij in gewissen gang met bescheed.
De landpalen hebt Gij gesteld alleen
Over de ganse wereld, Heer almachtig!
De zomer heet, winter, en dat ijs krachtig,
Zijn Uwer handen werken algemeen.
Gedenk Heer! hoe Uwe vijanden fel
Uw eer verminderen en boos'lijk schenden;
Hoe dat uitzinnig volk aan alle enden
Uwen Naam schoon lastert met zijn opstel.
Wil deze wreden overgeven niet
De ziel Uwes tortelduifkens deemoedig;
Wil ook niet eeuwig vergeten, Heer goedig,
Uw arm volk, 't welk men nu troosteloos ziet.
Gedenk Heer! aan Uw opgericht verbond,
Dewijl 't aardrijk zo hard is onderdrukket,
En dat het onder geweld en last bukket
Der bozen, die veel zijn tot dezer stond.
Laat Uwen armen knecht niet beschaamd zijn;
Maar geef hem veeleer oorzaak om te zingen
Van Uwen Naam; dat zij mogen ontspringen,
Die benauwdheid lijden, met smaad en pijn.
Tekst: Petrus Datheen