Als God Sions gevang'nen al Saam verlost heeft naar Zijn geval, Zo waren wij verheugd alt'zaam, Gelijk zij die dromen bekwaam. Onze mond is gans vol gewezen Van vreugd en lofzangen geprezen; Dan sprak 't volk alleszins: Welaan, God heeft Zijn volk wat groots gedaan.
Vers 2
God Die heeft op dit maal voorwaar Bij ons gedaan een werk zeer klaar, Daarin dat wij tot dezen tijd Hartelijk vro zijn en verblijd. Heer, wil genadelijk afwenden Onz' gevangenis en ellenden, Dat wij mogen wezen gelijk Een schoon wel gewaterd aardrijk.
Vers 3
Zij die met tranen en verdriet Haar goed zaad zaaien, zo men ziet, Zullen wederkeren met vreugd, En dat maaien, zijnde verheugd. Zij zaaien haar goed zaad met wenen, En zullen haast groot ende klenen Komen, en brengen met vreugd groot Haar volle schoven in den schoot.