Doe ons bijstand, 't is meer dan tijd, o Heere! Want der vromen getal is worden kleen; Zij hebben afgenomen zo gaar zere, Dat der oprechten niet en is tot ??n.
Vers 2
Een ieder spreekt leugens en ijdel dingen Met zijnen naasten, daarmee hij hem krenkt; Haar lippen niet dan smekingen voortbringen: De mond spreekt eens maar 't hart wat anders denkt.
Vers 3
De Heere wil toch de vleiende tongen Gans afsnijden tot in der eeuwigheid; Ook de lippen, die stout en onbedwongen In hoogmoed niet spreken dan ijdelheid.
Vers 4
Die stoutelijk dit durven geven voren: Wij worden groot door onz' tong vol venijn, Onz' lippen vrij ons alleen toebehoren, Laat ons liegen; wie zal ons meester zijn?
Vers 5
Om der bedrukten wille, die zeer klagen, Zal ik (spreekt de Heer) nu opmaken mij; De valse tongen werden al verslagen, Van haar geweld werd mijn volk gemaakt vrij.
Vers 6
Onzes Heeren woord is altijd bevonden Zuiver en rein, gelijk dat zilver klaar, Dat gelouterd is, tot verscheiden stonden; Ja zevenmaal gelouterd is voorwaar.
Vers 7
Dies wil, o Heer! Uw volk nu voort bevrijden, En bewaren naar Uwe goedigheid, Van dit boze volk, dat ons t' allen tijden Zo kwelt ende benauwt met tegenheid.
Vers 8
Want de bozen rondom gaan en zweven, Hier ende daar onvriendelijk en fel; Dewijl dat d' ergste schalken zijn verheven, En hier hebben geweld, macht en bevel.