Psalm 12

Vers 1

Doe ons bijstand, 't is meer dan tijd, o Heere!
Want der vromen getal is worden kleen;
Zij hebben afgenomen zo gaar zere,
Dat der oprechten niet en is tot ??n.

Vers 2

Een ieder spreekt leugens en ijdel dingen
Met zijnen naasten, daarmee hij hem krenkt;
Haar lippen niet dan smekingen voortbringen:
De mond spreekt eens maar 't hart wat anders denkt.

Vers 3

De Heere wil toch de vleiende tongen
Gans afsnijden tot in der eeuwigheid;
Ook de lippen, die stout en onbedwongen
In hoogmoed niet spreken dan ijdelheid.

Vers 4

Die stoutelijk dit durven geven voren:
Wij worden groot door onz' tong vol venijn,
Onz' lippen vrij ons alleen toebehoren,
Laat ons liegen; wie zal ons meester zijn?

Vers 5

Om der bedrukten wille, die zeer klagen,
Zal ik (spreekt de Heer) nu opmaken mij;
De valse tongen werden al verslagen,
Van haar geweld werd mijn volk gemaakt vrij.

Vers 6

Onzes Heeren woord is altijd bevonden
Zuiver en rein, gelijk dat zilver klaar,
Dat gelouterd is, tot verscheiden stonden;
Ja zevenmaal gelouterd is voorwaar.

Vers 7

Dies wil, o Heer! Uw volk nu voort bevrijden,
En bewaren naar Uwe goedigheid,
Van dit boze volk, dat ons t' allen tijden
Zo kwelt ende benauwt met tegenheid.

Vers 8

Want de bozen rondom gaan en zweven,
Hier ende daar onvriendelijk en fel;
Dewijl dat d' ergste schalken zijn verheven,
En hier hebben geweld, macht en bevel.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen