O God, op Wien mijn hope staat, Haast U, help mij, vrijd mij van schanden; Tot mijnen bijstand strek Uw handen, Verdoe al mijn vijanden kwaad. Die naar mijn ziel listelijk jagen, Moeten vol schand' zijn en verdriet; Die mij willen brengen tot niet, Moeten vlieden en zijn verslagen.
Vers 2
Die mij jagen, zeggen eenpaar: Ha, ha! daar, daar! met open kele; Laat hun toekomen schanden vele, Die zij mij wensen voor en naar. Maar, dat hij in Uw hulp verblijde, Die zijnen toevlucht tot U heeft, En hem gans'lijk tot U begeeft, Dat hij U love t' allen tijde.
Vers 3
O Heer! wil U haasten zeer snel Tot mij, die arm ben en ellendig; Gij zijt mijn Helper zeer bestendig; Haast U, help mij uit dit gekwel.