Komt, laat ons blij zijn in den Heer, En met zang verbreiden Zijn eer, Hij is ons troost en heil alleine; Laat ons met dankzegginge gaan Voor Zijn aangezicht, en voortaan Hem zingen met vreugd psalmen reine.
Vers 2
Want Hij een groot God is geacht, Een Koning van veel groter macht Dan de goden zijn; want 't aardrijke Heeft Hij in Zijn hand, welks vrucht al Hem toebehoort, Die berg en dal Steeds voortbrengen beide gelijke.
Vers 3
De zee Hem alleen toebehoort, Hij heeft die gemaakt door Zijn woord, en schiep ook het aardrijk bekwame. Komt, laat ons al t' zaam met deemoed Vallen voor onzen God te voet, Hij heeft ons geschapen al t' zame
Vers 4
Hij is een God, Die ons behoedt; Wij zijn 't volk en de schapen goed, Die van Hem wel geweidet werden; Hoort gij heden Zijn stemme klaar; Wilt toch uwe harten zo gaar Niet verstokken noch ook verherden.
Vers 5
Zo tot Massa en Meriba Uwe vaders voor ende na In de woestijne te doen plagen; Zij tergden Mij met harten kwaad, En beproefden vroeg ende spaad' Al Mijn werken, die zij daar zagen.
Vers 6
Daar Ik veertig jaren eenpaar Met hen veel arbeid had voorwaar; Dies klaagd' Ik aldus onverzwegen: Dit volk is gans zonder verstand, Van harten gaar dwalende, want Zij zullen niet leren Mijn wegen.
Vers 7
Dies als Ik van hen werd versmaad, Ik was toornig door zulk een daad, En heb in Mijn gramschap gezworen: Dat dit boos en verkeerd geslacht Nimmermeer zoude zijn gebracht Ter ruste Mijner uitverkoren.