Wil mijn gebed, Heer, verhoren,
Laat komen tot Uwe oren
Mijn zuchten, en in den nood
Verberg U niet, hij is groot
In dezen tijd der ellenden
Wil Uw oren tot mij wenden,
En als ik U bid ootmoedig,
Verhoor mij haast, o Heer goedig!
Verteerd is nu mijn leven zaan,
En als rook is 't geheel vergaan;
Mijn benen zijn droog door smart
Als een vuur brandt; en mijn hart
Moet gelijk 't dorre gras werden,
't Welk gemaaid ligt op der aerde;
Zodat ik hebbe vergeten
Mijn brood en mijn spijze t' eten.
Vlees en benen 't zamen kleven,
Door mijn zwaar zuchten en beven;
En mijn huilen en geklag
Geduurt altijd, nacht en dag.
Den roerdomp ik gelijk schijne
Die stil woont in de woestijne;
Den steenuil ben ik geleken,
Die alleen woont gans versteken.
Zo d' eenzaam' musse moet waken
In stilheid onder de daken,
Zo moet ik ook voor en naar
Wakker zijn met lijden zwaar.
Dagelijks aan alle enden
Mijn vijanden mij zeer schenden;
Zij spotten mijns en uit wraken,
Van mij een spreekwoord zij maken.
Ik ete d' asse in 't gemein,
Als brood in mijn lijden niet klein;
Vermenget is mijn drank klaar
Met mijne tranen voorwaar,
Door Uwen toorn niet om lijden;
Want Gij, Die mij hadt voortijden
Grotelijks en zeer verheven,
Hebt mij nu te grond' gedreven.
Als een schaduwe vergaan snel
Mijn dagen door dit lijden fel,
Ik ben verdorret als gras,
Dat voormaals afgemaaid was.
Maar Gij zult, Heer, eeuwig blijven,
En tot den eind' vast beklijven,
En de gedacht'nis geprezen,
Uwes Naams zal eeuwig wezen.
Gij zult U Heer, nu (och armen!)
Opmaken en U ontfarmen
Over Sion goedertier,
Uwe woonstee; want 't is schier
Meer dan tijd om te bewijzen
Uw goedheid niet om volprijzen;
De stond' is daar, wil toch merken
En Uwe woning versterken.
Gaarne zagen Uwe knechten
Dat Gij de stad woudt oprechten,
Want zij ganselijk gewis
Overhoop geworpen is,
Opdat U de volken vruchten,
En voor U beven en zuchten
De koningen des aardrijken,
En U eren desgelijken.
't Vervallen Sion opbouwen
Zal onze God vol van trouwen,
Hij, Die ons geholpen heeft,
Ende Zijn klaarheid ons geeft;
Hij zal dat bidden en klagen
Dergenen, die schier versagen,
Verhoren en verstaan goedig,
Naar Zijn goedheid overvloedig.
Dat zulks toch werde beschreven,
Opdat zij, die zullen leven
Na ons, gedenken hieraan,
En den kind'ren doen verstaan.
Dat Gods volk, van Hem verkoren
En nieuw'lijk wedergeboren,
Hem love tot alle stonden
Voor deez' weldaad niet om gronden.
Want de Heer, naar Zijn goedheid schoon,
Heeft van boven uit Zijnen troon
Op Zijn volk genomen acht,
Dat hier onder 't kruis versmacht;
Dat Hij 't zuchten en verlangen
Hore der arme gevangen,
En vrij maak' uit des doods banden,
En Zijn volk verloss' uit schanden.
Opdat des Heeren Naam en eer
Bekend tot Sion werd, o Heer!
En tot Jeruzalem rein
Zijn lof verbreid zij gemein.
Als de volkeren deemoedig
T' zamen zullen komen spoedig,
En de rijken zullen eren
En dienen den Heer der heren.
God vernedert gans mijne kracht
Op den weg, ende heeft gebracht
Tot niet mijn dagen voorwaar;
Dies spreek ik tot Hem eenpaar:
Heer, laat mij niet zijn verslagen
In 't midden van mijne dagen;
Want steeds blijven en voortvaren,
Heer, Uwe dagen en jaren.
Gij hebt gemaakt vast dat aardrijk
En de hemelen al gelijk;
Door Uw kracht zeer vast zij staan,
Nochtans moeten zij vergaan.
Maar Gij zult blijven bestendig,
Daar z' oud worden en ellendig,
Als een doek zeer klein van waarde,
En 't kleed eens mensen op aarde.
Als een verrot kleed en gewaad
Wordt ook veranderd hare staat;
Hoe heerlijk dat z' ook nu zijn,
Vergaan toch zal hare schijn.
Maar Gij, o Heer! daarentegen
Onveranderd allerwegen,
Zult blijven in wezen krachtig,
Zonder eind een Heer almachtig.
Daarom zullen der oprechten,
Uwer dienaren en knechten
Kind'ren, nu en t' allen tijd
Blijven vast en zijn verblijd.
Dat zaad Uwer uitverkoren
Zal wassen en vreugd oorboren,
En zal in overvloed wezen
Rijk en vruchtbaar, Heer geprezen.
Tekst: Petrus Datheen