Ik dank U, Heer, uit 's harten grond; Lippen en mond Uw eer voortbringen; Voor de vorsten wil ik, o Heer, Uw lof en eer Gestadig zingen. Ik wil in Uwen tempel zaan U bidden aan, En eer bewijzen, En U danken om Uw goedheid En getrouwheid, Niet om volprijzen.
Vers 2
Gij hebt Uwen Naam gemaakt groot, Als Gij in nood U toont waarachtig. Als ik U aanroepe, Heer, Gij Verhoret mij En troost mij krachtig. Dies moeten de koningen al, In dezen val, U zeer vereren, Als zij verstaan, dat steeds Uw woord Vast blijft nu voort, O Heer der heren!
Vers 3
Zij moeten gedenken verheugd, In grote vreugd, Heer, Uwe werken, En bekennen dat Gods lof fijn Eeuwig zal zijn, Waardig t' aanmerken. Want Gij zeer hoog zit en aanziet, Dat hier is niet Geacht deemoedig: Van verre Gij de stouten kent, Waarvan Gij wendt Uw ogen goedig.
Vers 4
Als ik door angst en tegenspoed Ben in kleinmoed, Gij mij verkwikket; Ook tegen mijn wreedsten vijand Uw rechterhand Mij hulp beschikket. Gij zult mijn kruis eindigen hier; Want goedertier Zijt Gij gestadig; Het werk Uwer handen zult Gij Volvoeren vrij, O Heer genadig.