Onze God zij ons nu genadig En zegen' ons met overvloed, Hij verlicht' ons allen gestadig Met Zijn aanschijn lieflijk en zoet; Opdat ons Zijn wegen Bekend recht van degen Werden, en meteen De heidenen leren Hen tot den weg keren Onzes heils alleen.
Vers 2
Dat toch, Heer! de volken met zingen U zeer danken vrij openbaar, En met vreugd' Uwen lof voortbringen, Hen in U verheugen eenpaar. Gij hebt alle lieden Alzins te gebieden, Naar Uw goedheid rein; Ja 't geheel aardrijke Gij in dergelijke Regeert, Heer allein.
Vers 3
De volkeren met zoeten tone Danken daarom Uwen Naam goed; Omdat 't aardrijk draagt vruchten schone, Zegen ons, Heer! tot ons behoed. De Heere zeer goedig, Geeft ons overvloedig Den zegen gewis; Dat Hem dies elk vruchte, En onzen God duchte, Die almachtig is.