Psalm 110

Vers 1

De Heer heeft gesproken tot mijnen Heere:
Zet U nu fijn tot Mijne rechterhand,
Totdat Ik Uw vijanden met onere
Tot enen voetbank maak in 't ganse land.

Vers 2

God zal den scepter van Uw koninkrijke
Uit Sion strekken over d' aarde breed;
En Hij zal tot u spreken desgelijke:
Heerset over al Uw vijanden wreed.

Vers 3

Vrijwillig zal 't volk geschenk doen met vrede,
Op den dag van Uwe kroninge fijn;
Gelijk de dauw rijkelijk valt beneden,
Zullen U veel kind'ren geboren zijn.

Vers 4

God heeft met ernst gezeid ende gezworen
Met enen eed, die vast'lijk zal bestaan.
Gij zijt een eeuwig Priester uitverkoren,
Naar Melchizedeks ordening voortaan.

Vers 5

Tot Uwe rechterhand zal God verderven
Al Uwe vijanden met grote kracht;
De boze koningen zal Hij doen sterven,
Ter tijd Zijner gramschap met volle macht.

Vers 6

Hij zal Hem ook aan de heidenen wreken,
En 't land vol maken met lichamen dood;
En eindelijk dat hoofd gans in stukken breken,
't Welk nu heerset over veel landen groot.

Vers 7

Ja, Hij zal ook op den weg uit de beken
Haast drinken van 't lopende water klaar;
En zal daarna Zijn hoofd heerlijk opsteken,
En hebben de overwinning eenpaar.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen