Wij danken U, God en Heer, Wij prijzen Uw werken al; Want de roem Uwes Naams zal Ons bij zijn langes zo meer, En wij zullen zingen klaar Uw daden zeer wonderbaar.
Vers 2
Als daar komt mijn tijd bekwaam, Ik zal richten rechtelijk. Dit aardrijk smelt ganselijk, Met d' inwoners al te zaam. Maar zijn pilaren niet klein, Onderhoud ik vast allein.
Vers 3
Ik sprak de hovaardig' aan, Die roemen zonder verstand; Verheft U niet hier te land, Wilt op Uw geweld niet staan; Steekt Uwen hoorn onbeschaamd Niet hoger op dan 't betaamt.
Vers 4
Oost noch west, noch ook dat noord, En maken al t' zamen niet, Dat de mens, alzo men ziet, Wordt zo zeer getrokken voort; Maar van God wordt verhoogd d' een, En d' ander gemaakt zeer kleen.
Vers 5
In Gods handen is een kop, Vol gemaakt met sterken wijn; Hij zal daaruit schenken fijn Zijn kind'ren; doch het grondsop Zullen al de booz' onrein T' zamen uitdrinken gemein.
Vers 6
Ik zal dan nog met gezang Des Gods Jakobs werken schoon Verbreiden met zoeten toon; En der bozen hoorne krank Breken; maar de vromen goed, Worden ge?erd in voorspoed.