Toen Israël Egypteland verliet, En als 't huis Jakobs ganselijk afschied Van 't vreemd volk en zijn wezen; Juda werd Gods heilig' ere zeer klaar, En God werd Israëls Heer openbaar, Ja, een Heer hoog geprezen.
Vers 2
De zee zag zulks aan, en week zeer verbaasd; De Jordaan was ook gedwongen met haast Haar achterwaarts te keren Als schapen sprongen de bergen meteen, En de heuvelen en de bergskens kleen Gelijk lammerkens tere.
Vers 3
Wat was u zee, dat gij wegvloodt zo zaan? Ende waaromme zijt gij, o Jordaan, Zo terugge gedreven? Bergen, waarom sprongt gij als schapen vet? Gij bergskens, waarom hebt gij u ontzet Als lammerkens die beven?
Vers 4
Voor Gods aanschijn, Die alle ding vermag; Voor Jakobs God, voor Wien (zo men daar zag) 't Aardrijk beefde waarachtig. Voor dien God, Die maken kan enen stein Tot een meer, en doet springen een fontein Uit enen steenrots krachtig.