Tot U, Heer, mijn ogen hef ik altijd, Die in den hemel zijt. Zo de ogen eens knechts in zijn benauwen Zijnen meester aanschouwen; Zo de maagd ziet op harer vrouwe handen, Wij ook in kruis en schanden Zien zo op U, Heer, en wachten in nood Uw hulp en goedheid groot.
Vers 2
Zijt ons nu genadig, o Heere mijn! Wil ons barmhartig zijn; De mensen al ons alzo gaar verachten Dat wij in smaad versmachten. Wij zijn der stouten spot aan alle zijden, Wij zijn tot dezen tijden Van de hovaardigen zeer fel en kwaad Veracht en gans versmaad.