Hoe lang hebt Gij besloten, Heer, Mij te vergeten alzo zeer? Zal 't altijd zijn en nimmer enden? Wilt Gij U van mij eeuwig wenden, Die benauwd ben zo langs zo meer?
Vers 2
Hoe lang zal nog dat harte mijn, Vol van angst en van smarte zijn, En daartoe vol zorgen mits dezen? Hoe lang zal mijn vijand nog wezen Mijn verwinnaar tot mijner pijn?
Vers 3
Aanzie mij God, Gij zijt mijn kracht; Troost mijn hart, 't welk U doet zijn klacht, Wil mijn duister' ogen verklaren, Dat ik in den slaap niet moet varen Des doods en daar blijven versmacht.
Vers 4
Opdat hij, die mij sterk bevecht, Niet zegg': hij is nedergelegd; En dat de vreugd mijner vijanden, Niet dubbel werd te mijner schande, Ziende den val van Uwen knecht.
Vers 5
Op U, o Heer! staat mijn hoop allein; Neem weg mijn kruis en nood niet klein, Wil mij Uwe vreugd wederbringen; Zo zal ik U loven met zingen, Voor Uw weldaden in 't gemein.