Wie is 't, die zal wonen eenpaar In Uw lieflijke tenten, Heere? Wie zal toch verkeren hiernaar, Door Uw goedheid, zonder gevaar, Op Uwen heil'gen berg met ere?
Vers 2
Het zal wezen de mens eerbaar. Die steeds wel doet in alle dingen, En recht handelt in 't openbaar; Wiens mond, dat oprecht is en waar, Gestadiglijke zal voortbringen.
Vers 3
Die geen achterklap spreekt onvroed, Tot zijnes naasten smaad en schande; Die tegen hem ook niet misdoet, Noch mishandelt; maar hem behoedt Voor oneere menigerhande.
Vers 4
Die ook den godd'lozen veracht, En daartoe eert tot allen stonden Hem, die den Heer vreest met aandacht, Die zijn belofte heeft volbracht, Al waar 't ook zijn schade bevonden.
Vers 5
Die tot woeker niet geeft zijn geld, En geen gaven ooit heeft geprezen, Om 't recht des vromen met geweld Te breken. Die zo is gesteld, Zal voorwaar gelukzalig wezen.