God is in Judea zeer wel Bekend en overal vermaard; Zijn Naam en kracht in Israël Zijn geroemd en geopenbaard; In Salem en tot Sion schone Staat dat huis fijn van Zijne wone.
Vers 2
Daar ziet men, dat Hij breekt zeer kleen Kracht'lijk den boog en pijlen t' zaam; Schilden, zwaarden en ook meteen Den krijg met zijn rusting bekwaam; En toont, dat Hij meer zij te vruchten, Dan men de straatrovers moet duchten.
Vers 3
Slapende zijn de stouten zaan, Beroofd harer goederen groot; De krijgers, die op haar kracht staan, Laten vallen de handen bloot. Uwe toorn doet haast in slaap vallen Paarden en wagenen met allen.
Vers 4
Gij zijt verschrikkelijk gaar zeer, Gij, o mijn God! en niemand el! Wie zal voor U bestaan, o Heer! Wanneer Gij toont Uw gramschap fel? Als Gij Uw oordeel hebt gegeven, Moet dat aardrijk schrikken en beven.
Vers 5
Dan stond Gij op en hebt verkond Uw oordelen en gemaakt vrij D' ellendigen ter zelfder stond, En hebt die getroostet zeer blij. Als de mensen tegen U strijden, Gij behaalt eer aan alle zijden.
Vers 6
Gij zult ombrengen 't ganse rot Der woedende boosdaders kwaad. Elk doe beloften onzen God, En volbrenge die met der daad; Doet zulks gij, die daar woont beneven Des Heeren woning hoog verheven.
Vers 7
Brengt God gaven, die vrees'lijk is, En wreekt Zijnen smaad ende schand'; Ja Hem, Die door Zijn kracht gewis Den koningen neemt haar verstand; Die schrikk'lijk is en groot van waarde Alle koningen op de aarde.