Die in Godes bewaring sterk
Hem begeeft onbezweken,
Die woont in een vast bollewerk;
Dies hij zeer wel mag spreken,
En zeggen bij hem t' allen stond:
God is mijn hulpe krachtig,
Mijn burcht en ook mijn vaste grond,
Daar ik op hoop eendrachtig.
Van des jagers valstrikken al,
En van geweld zeer machtig,
Van schadelijke pesten zal
Hij u ook helpen krachtig,
Hij zal met de vleugelen Zijn
U dekken en bevrijden;
Zijn hulp zal u in nood en pijn,
Een schild zijn t' allen tijden.
's Nachts zult gij dat ding vrezen niet,
Dat de mensen doet beven;
Noch de pijlen die 's daags met vliet
Geschoten zijn daarneven;
Ook voor geen sterven scherp noch groot,
Dat 't volk des nachts bespringet;
Noch voor 't haastige, 't welk den dood
Den mensen 's daags toebringet.
Al storven aan uw linkerzijd'
Duizend en tienduiz'd t' zame,
Ter rechter; nog zijt gij bevrijd
Voor schaden onbekwame.
Gij zult onbevreesd schouwen aan
De booz' in haar verderven;
En hoe zij haren loon zeer zaan,
Ontvangen en be?rven.
Omdat Gij tot God spreekt eenpaar;
Gij behoedt mij, o Heere!
En op God in alle gevaar
Hoopt, en Hem doet deez' ere.
Met geen schaden wordt gij bezwaard,
Noch geen plagen met allen,
En zullen uw huis wel vermaard
Geenszins dan overvallen.
Hij geeft den engelen bevel,
Zijnde tot u genegen,
Dat z' op u steeds acht hebben wel
In alle uwe wegen.
Zij zullen in handen, dit 's klaar,
U dragen fijn besloten,
Dat gij niet vallen zult daarnaar,
Noch u aan den steen stoten.
Jonge leeuwen en slangen wreed,
Leeuwen en draken mede,
Zult gij al zonder schaad' of leed
Onder de voeten treden.
Want dit spreekt God van u voorwaar:
Omdat hij Mij vereret,
Ik zal hem helpen uit nood zwaar,
Want Mijn Naam hij vermeret.
Roept hij Mij aan, hij werd verhoord;
In den nood zal Ik wezen
Bij hem t' allen tijd, van nu voort;
Hij werd van Mij geprezen.
Ik zal hem vervullen zeer goed
Met veel vrolijke dagen,
En hem ook laten smaken zoet
Mijn hulp naar Mijn behagen.
Tekst: Petrus Datheen