Als wij aan dat water tot Babel klachtig Zaten en weenden, wezende gedachtig Uwes, o Sion, huis des Heeren rein; Daar hebben wij met veel klagens gemein Onze harpen, benauwd met harten bange, Aan de groene wilgebomen gehangen.
Vers 2
Daar hebben zij, die ons hielden gevangen, In spot begeerd te horen onz' lofzangen, En spraken: Zingt ons van Sion een lied. Wij zeiden: Hoe zouden wij met verdriet Beladen zijnde en met smaad en schanden, Gods lof kunnen zingen in vreemde landen?
Vers 3
Doch zo ik U, Jeruzalem geprezen, Vergete, zo moet mijn rechterhand wezen Onwetende des harpenspel hiernaar. Mijn tonge kleev' aan mijnen mond eenpaar, Zo ik u vergeet en mij kan verblijden, Anders dan in uw welvaart t' allen tijden.
Vers 4
Wil Heer, den Edomieten zijn gedachtig, Die over Jeruzalem riepen prachtig, Als zij de stad teniet deden zeer fel, Gedenk, dat sommigen riepen snel: Rein af! rein af! dat ze gans verbrand werde, Ende meteen uitgeroeid tot der aerde.
Vers 5
Maar men zal u, Babel, nog zo verbranden; Gelukkig zullen ook wezen de handen, Die 't kwaad zullen wreken, van u gedaan. Wel hem, die uw kind'ren zal grijpen aan, En trekken van uwe borsten onreine, Om die te verpletteren aan de steine.