Wel op, mijn ziel, wil nu prijzen Den Heer; want mijn leven lang Zal ik Hem ere bewijzen. Ik wil met psalmengezang Steeds loven God verheven, Zolang als ik zal leven.
Vers 2
Wil niet stellen uw betrouwen Op prinsen groot ofte kleen; Wil op den mense niet bouwen, Want bij hem is hulpe geen. Als zijn geest uitvaart gelijk, Wordt hij weder aard' en slijk.
Vers 3
Met hem vergaan zijn raden al, En worden haast'lijk tot niet. Wel hem, wien God t' allen tijd zal Zijn hulp aanbieden met vliet; Die tot God heeft zijn toevlucht In nood en in kwaad gerucht.
Vers 4
Hij is 't, die krachtig gemaakt heeft Den hemel en 't aardrijk breed, De zee en al wat daarin leeft, En hem beweegt met bescheed. Hij onderhoudt Zijn waarheid Zeer vast in der eeuwigheid.
Vers 5
Hij doet hun recht, die daar lijden Overlast en groot geweld; Hij geeft brood tot allen tijden Hun, die den honger scherp kwelt; Hij maakt los en vrij van pijn Hen die vast gebonden zijn.
Vers 6
't Gezichte geeft Hij hun allen, Die daar ganselijk zijn blind Die hard zijn nedergevallen, Heft Hij op, en die bezint; Hij heeft lief ende behoedt, Die oprecht vroom zijn en goed.
Vers 7
Met vlijt bewaart ook de Heere De vreemden in lijden groot; Desgelijks de wezen tere, Behoedt God in angst en nood; Weduwen Hij ook bewaart, Dat haar geen leed wedervaart.
Vers 8
Hij zal de wegen verderven Der godd'lozen met der daad; En zal Hem een rijk verwerven, Dat eeuwiglijk vast bestaat. Sion, uws Gods heerlijkheid Wordt geloofd in eeuwigheid.