Psalm 3

Vers 1

Hoe veel is des volks, Heer,
Dat mij benijdt zo zeer?
Hoe veel mensen mij kwellen?
Hoe veel vijanden mijn
Nu sterk te velde zijn,
Die hen tegen mij stellen?
Ik zie daar veel voorwaar,
Die tot mij spreken klaar:
Vergaan zijn al mijn krachten;
Zijn God Die helpt hem niet
In dit kruis en verdriet.
Maar 't zijn ijdel gedachten.

Vers 2

Want Gij zijt Heer! mijn schild,
Die mij beschermen wilt
En mij ere wilt geven.
Gij doet, dat ik voortaan
Mag vrij openlijk gaan,
Met den hoofd opgeheven.
Ik heb in mijn ellend'
Mijn stem tot God gewend
En geklaagd in dit wezen.
Hij heeft ook naar Zijn woord,
Mijn klacht altijd verhoord
Van Zijnen berg geprezen.

Vers 3

Dies zal ik rust ontvaân
En zeker slapen gaan,
Bewaard voor alle schade.
Ik zal des morgens klaar
Ontwaken zonder vaar;
Want God wil mij slaan gade.
Honderdduizend bijeen
Deden mij vreze geen,
Wanneer zij zulks aanvingen
En mij wilden met haast,
Om te maken verbaasd,
Verstrikken en omringen.

Vers 4

Kom Heer! toon dat Gij zijt
Met mij tot allen tijd;
En dat Gij mijn vijanden
Op 't kinnebakken slaat.
En hen breekt met der daad
In stukken hare tanden.
Van U is 't, o Heer, goed!
Dat men verwachten moet
Hulp en troost vroeg en spade.
Want over Uw volk hier,
Stort Gij, Heer, goedertier
Zeer rijk'lijk Uw genade.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen