Hoe veel is des volks, Heer, Dat mij benijdt zo zeer? Hoe veel mensen mij kwellen? Hoe veel vijanden mijn Nu sterk te velde zijn, Die hen tegen mij stellen? Ik zie daar veel voorwaar, Die tot mij spreken klaar: Vergaan zijn al mijn krachten; Zijn God Die helpt hem niet In dit kruis en verdriet. Maar 't zijn ijdel gedachten.
Vers 2
Want Gij zijt Heer! mijn schild, Die mij beschermen wilt En mij ere wilt geven. Gij doet, dat ik voortaan Mag vrij openlijk gaan, Met den hoofd opgeheven. Ik heb in mijn ellend' Mijn stem tot God gewend En geklaagd in dit wezen. Hij heeft ook naar Zijn woord, Mijn klacht altijd verhoord Van Zijnen berg geprezen.
Vers 3
Dies zal ik rust ontvaân En zeker slapen gaan, Bewaard voor alle schade. Ik zal des morgens klaar Ontwaken zonder vaar; Want God wil mij slaan gade. Honderdduizend bijeen Deden mij vreze geen, Wanneer zij zulks aanvingen En mij wilden met haast, Om te maken verbaasd, Verstrikken en omringen.
Vers 4
Kom Heer! toon dat Gij zijt Met mij tot allen tijd; En dat Gij mijn vijanden Op 't kinnebakken slaat. En hen breekt met der daad In stukken hare tanden. Van U is 't, o Heer, goed! Dat men verwachten moet Hulp en troost vroeg en spade. Want over Uw volk hier, Stort Gij, Heer, goedertier Zeer rijk'lijk Uw genade.