Wilt een nieuw lied den Heere zingen; Wilt Hem Zijn eer heerlijk toebringen; Dat nu onder Zijn volk gemeine Zijn lof gehoord zij reine. Gij, Israël, in vreugd nu leeft, In den Heer Die u gemaakt heeft; In dezen Koning u verblijdt, Die Sions kind'ren zijt.
Vers 2
Dat men met fluiten Zijnen Name Prijz' en met trommelen bekwame; Met harpen zoet moet men ook loven Den Heere van hier boven, Want den Heer behaagt Zijn volk al, Dat Hij verkiest naar Zijn geval; De kleinen zal Hij vereren En haar goed vermeren.
Vers 3
Toch zullen de vromen geprezen Hierna vrolijk en verblijd wezen; Ja men zal z' op haar bedde horen Zingen en vreugd oorboren. In hare kelen zullen zij Des Heeren lof hebben zeer blij; En in haar handen (vol waarden) Tweesnijdende zwaarden.
Vers 4
Opdat zij verderven met krachten Daarmee alle boze gedachten, En straffen de harten hoogmoedig Met scherpe wrake spoedig; Opdat zij vangen zo meteen Koningen en prinsen niet kleen; En met ketenen en banden Vast sluiten haar handen.
Vers 5
Als zij die straffen dat ze beven, Zij doen zulks als daar staat voorschreven; Dit 's Uwer heiligen, o Heere! Heerlijkheid en haar ere.