Psalm 149

Vers 1

Wilt een nieuw lied den Heere zingen;
Wilt Hem Zijn eer heerlijk toebringen;
Dat nu onder Zijn volk gemeine
Zijn lof gehoord zij reine.
Gij, Israël, in vreugd nu leeft,
In den Heer Die u gemaakt heeft;
In dezen Koning u verblijdt,
Die Sions kind'ren zijt.

Vers 2

Dat men met fluiten Zijnen Name
Prijz' en met trommelen bekwame;
Met harpen zoet moet men ook loven
Den Heere van hier boven,
Want den Heer behaagt Zijn volk al,
Dat Hij verkiest naar Zijn geval;
De kleinen zal Hij vereren
En haar goed vermeren.

Vers 3

Toch zullen de vromen geprezen
Hierna vrolijk en verblijd wezen;
Ja men zal z' op haar bedde horen
Zingen en vreugd oorboren.
In hare kelen zullen zij
Des Heeren lof hebben zeer blij;
En in haar handen (vol waarden)
Tweesnijdende zwaarden.

Vers 4

Opdat zij verderven met krachten
Daarmee alle boze gedachten,
En straffen de harten hoogmoedig
Met scherpe wrake spoedig;
Opdat zij vangen zo meteen
Koningen en prinsen niet kleen;
En met ketenen en banden
Vast sluiten haar handen.

Vers 5

Als zij die straffen dat ze beven,
Zij doen zulks als daar staat voorschreven;
Dit 's Uwer heiligen, o Heere!
Heerlijkheid en haar ere.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen