Neem mijn zaak aan, wreek mij, o Heere, Naar Uw grote goedheid vermaard; Van hen die vals en wreed zijn zere, Ja ook vol listen en onere, Die gans boselijk zijn geaard, Mijn ziel toch nu bewaart.
Vers 2
Gij zijt toch, Heer, mijn sterkte krachtig, Waarom verstoot Gij mij zo gaar? Waarom laat Gij mij, Heer almachtig, Treuren en altijd wenen klachtig? En voor mijn vijand hier en daar Veldvluchtig zijn eenpaar?
Vers 3
Laat Uw klaarheid, o God waarachtig En Uwe trouw ons schijnen zoet. Dat die ons geleiden aandachtig Tot Uwen heil'gen berg eendrachtig, En tot Uwe tenten zeer goed, Met een need'rig gemoed.
Vers 4
Daar zal ik dan vrijmoedig wezen Om tot Gods altaar vrij te gaan, Tot God, Die mijn vreugd' is geprezen, En mijn geneugte uitgelezen; Dies zal ik vro de harpe slaan, En prijzen nu voortaan.
Vers 5
Mijn ziel wat wilt gij u benauwen, En in mij maken zulk misbaar? Op uwen God wil toch betrouwen, Dien ik nog zal zonder verflauwen Prijzen; omdat Hij mij voorwaar Helpt als mijn God eerbaar.