Als ons de nood overvalt krachtig, Ons burgt en heil is God almachtig; Zulks bevinden wij in den nood, En hebben in Hem troost zeer groot. Dies vrezen wij in genen dinge, Al waar 't dat de wereld verginge, En de bergen hen wierpen snel In 't midden der zee diep en fel.
Vers 2
Al waar 't dat 't water des meers diepe Raasde t' zaam en ook overliepe; Al waren teniet door zijn kracht Bergen en steenrotsen gebracht; Nochtans zullen de beken reine, Ook menige klare fonteine, De schone stad maken verblijd, Daar God in woont tot allen tijd.
Vers 3
Midden in haar woont God geprezen, En wil eeuwiglijk bij haar wezen. Niets zal ze bewegen voortaan, Want de Heer' wil z' altijd bijstaan. Veel volks is ons geweest zeer tegen, Koninkrijken hen ook bewegen; Van haar gerucht, alzo dat scheen, Verging d' aard' en hemel meteen.
Vers 4
In zulke stormen ende baren Is met ons de Heer' der heirscharen; God Jakobs is ons een burcht vast Tegen geweld en overlast; Komt toch al, wilt zien en bemerken Onzes Gods grote wonderwerken; Die Hij hier op der aarde doet, Naar Zijne grote wijsheid goed.
Vers 5
Hij heeft over 't aardrijk in 't brede Gestild de oorlogen zeer wrede. Lansen, bogen heeft Hij in 't land Vernield en de wagens verbrand, Weest stil! (spreekt Hij) zijt toch gedachtig Mijne grote sterkheid zeer machtig; Ik ben de God zeer hoog geacht Boven aller mensen geslacht.
Vers 6
Kortelijk, de God der heirscharen Is met ons in stormen en baren; God Jakobs is ons een burcht vast Tegen geweld en overlast.