Wil toch niet langer zwijgen, Heer,
Wil zo stille niet wezen meer,
Houd U niet zo gans zonder spreken;
Want zaam woeden al Uw vijanden,
Razende maken zij te schande,
En 't hoofd stoutelijk zij opsteken.
Zij raadslagen met listen kwaad,
Tegen 't volk, Heer, dat op U staat;
Over dien bruiken zij haar krachten,
Die vrijmoediglijk zonder zorgen
Onder U willen zijn verborgen;
Veel loze vonden zij betrachten.
Zij spreken: Laat nu zijn voortaan
Dit volk omgebracht en verdaan,
Dat het geen volk meer zij zo krachtig;
Dat niet genaamd zij in eerwaarde
De naam Israëls op de aarde;
Dat men dies niet meer zij gedachtig.
Tegen U maken zij een bond,
En binden hen t' zaam nu terstond,
Edom en de Isma?lieten,
Moabs en ook Hagars geslachte,
De Gebalieten groot van machte,
Zijn U tegen met d' Ammonieten.
Palestina, Amelek rijk,
En die van Tyrus al gelijk,
Bruiken haar verstand en haar krachten;
De Assyri?rs hoog verheven,
Hulp en onderstand zij t' zaam geven
Den kind'ren Lots, die U verachten.
Doe hen zo Gij deedt Midian,
Dat harer geen kome daarvan;
Zo Gij tot Kison aan de beken
Jabin en Sisera hoogmoedig
Versloegt; daar ook 't volk overvloedig
Als drek in Endor bleef versteken.
Haren oversten Vorsten doet
Als Oreb en Ze?b onvroed,
Dat Zeba Tsalmuna geschiedde;
Die daar zeiden met hoogmoed prachtig,
Dat ze zouden 't huis Gods almachtig
Innemen tot haren gebiede.
Maak z' ongestadig als een rad,
En als dat stof der aarde plat,
Omhoge van den wind gedreven;
Zo de vuurvlammen 't hout verbranden,
En de bergen maken te schanden,
Hoe hoog ook dat ze zijn verheven.
Vervolg ze zo met groot tempeest,
Door onweder maak ze bevreesd,
Wil ze hier en daar met angst jagen;
Haar aangezichten wil beschamen,
Opdat ze met handen te zamen
In ootmoed naar U, o Heer, vragen.
Laat ze beschaamd zijn en verbaasd,
Verschrik z' en breng z' om met der haast;
Dat zij mogen verstaan en gronden,
Dat Gij een Heere zijt allene,
De Allerhoogst' en anders gene
In de wereld kan zijn bevonden.
Tekst: Petrus Datheen