O mijn volk, wil mijn lering nu aanhoren,
Neig uw verstand, wil open doen uw oren,
Verneem mijns monds schoon' en heerlijke reden.
Van mij werden Godes werken beleden;
Van Zijn grootdaden wil ik doen vermaan,
Die onze God hiervoormaals heeft gedaan.
De daden die ons voortijds zijn vermondet,
Die ons onz' grootvaders hebben verkondet;
Dat ze de kind'ren ook wisten al voren,
Die nog na hen zouden worden geboren;
Opdat ze wisten de roem en de kracht
En werken groot onzes Gods hoog geacht.
God heeft in Jakob Zijn verbond gegeven
En is Israël Zijn gezet gedreven;
Dat onze voorvaders hen zouden keren,
Om van geslacht tot geslacht die te leren;
Opdat ze den kind'ren klaar ende bloot
Verkondigden des Heeren werken groot.
Opdat z' op God alleenlijk mochten bouwen,
Zijn grote werken vastelijk onthouwen,
En Zijn wetten bewand'len en beleven,
Niet als haar vaders, die waren begeven
Tot moedwille, met een hart erg en fel,
En tegen God steeds geweest zijn rebel.
Zulks is in Efraïm zeer wel gebleken,
Die in den strijd van God zijn afgeweken,
Of zij schoon met bogen gewapend waren,
En in het schieten kunstig wel ervaren:
Want zij hielden niet des Heeren verbond,
En verwierpen Zijn wet tot aller stond.
Zij hebben des Heeren schoon' wonderwerken,
Die zij hebben kunnen zien en zelfs merken,
Vergeten en veracht uit boze gronden;
Ja die zij gezien hadden en bevonden
In Egypte en in dat veld Zoan,
Die haar grootvaders zelf daar zagen an.
Hij deelde 't meer en ook de waterstromen,
En liet al Zijn volk droogvoets daardoor komen;
't Water bleef als muren vast in zijn stede.
Door een wolke leidd' Hij 't volk daags met vrede
En 's nachts door een kolomme vuurs zeer klaar,
Om Zijn volk te leiden zonder gevaar.
God brak de steenrotsen door Zijn kracht spoedig;
Opdat Zijn volk mocht drinken overvloedig
In de woestijne, daar Hij uit de steinen
En uit de klippen voortbracht de fonteinen,
En gaf 't water met zulk een overvloed,
Dat daar stromen liepen des waters zoet.
Doch zij hebben al t' zaam gedaan veel zonden,
En God tot toorn verwekket tot dien stonden,
Zij hebben Hem verzocht naar hare wijze
In de woestijn, en daar begeerd met spijze
Naar haren lust verzaad te zijn wel zeer;
En murmureerden zo tegen den Heer:
Zou God (zeiden zij) ons in deez' woestijne
Den dis kunnen dekken met spijs en wijne?
Uit den geslagen steen de stromen drongen,
En de wateren zeer haast daaruit sprongen;
Zou God ons hier kunnen geven ons brood?
En ons spijzen met vlees in dezen nood?
Daarom als God deez' blindheid ging aanmerken,
Werd Hij zeer gram en wilde haar niet sterken;
Terstond zag men een groot vuur haast ontsteken
Over dat zaad van Jakob die afweken;
Hij verdierf de kinders van Israël,
Omdat zij op Hem niet betrouwden wel.
Want daar zij zulken nood hebben bezeven,
God hadde den wolken gebod gegeven
En den hemel ontdaan in 't openbare;
Hij regende 't manna der ganse schare,
Zodat zij zijn geworden tot dier stad
Des hemels brood geheel vol ende zat.
De sterf'lijke mens daar zijnde gezeten,
Heeft van dat brood der engelen gegeten;
Dies is hij haast zat geweest boven maten.
God heeft de winden zeer sterk waaien laten,
Den enen uit het zuiden door Zijn kracht,
Den and'ren heeft Hij uit 't oosten gebracht.
Daarna heeft Hij dat vlees van smake goedig,
Geregend uit den hemel overvloedig;
En gelijk des zands veel is in getale,
Gaf Hij hun vogels t' eten altemale;
Die vielen op den leger overbreid,
In den tenten hebben zij die bereid.
Zo werd deze hoop zwaarlijk om verzaden,
Zeer vol zijnde, met deez' spijs overladen;
Haren lust koelden zij op deze wijze;
Doch zij aten noch steeds van deze spijze,
Ja hadden noch even tot dezer stond
't Vlees tussen de tanden in haren mond,
Als God gram werd en dit volk liet verderven,
En de voornaamst' onder hen ook liet sterven;
Ja haast'lijk stierven de voornaamsten zere.
Toch heeft deez' boze aard God haren Heere,
Voortaan vergramd en Zijn ere geroofd,
En Zijner wonderwerken geen geloofd.
Daarom zijn zij gestorven in ellenden,
En hebben haast haren tijd moeten enden;
Dies als zij zulks onder malkander zagen,
Begonnen ze naar God den Heer te vragen.
Een ieder heeft vroeg, ja v??r den daag'raad
Gezocht Godes genaad' in zulken staat.
Dan bedachten ze, dat God in 't benauwen
Een toevlucht is, daarop men mag betrouwen,
Die door Zijn kracht en sterkte wonderdadig
Die verlost, die Hem betrouwen gestadig.
Maar zij huichelden steeds met haren mond,
Haar tong sprak niets dan leugen in den grond.
Met harten wilden zij God niet aankleven;
In Zijn verbond zijn zij ook niet gebleven,
Doch zo genadig is de Heer bevonden,
Dat Hij hun vergaf haar schand'lijke zonden;
Hij keerde Zijn gramschap groot van hen af,
En stilde dikwijls Zijnen toorne straf.
Hij bedachte dat haar zwakke nature
Niets anders dan een vlees was t' elker ure,
Tekst: Petrus Datheen