God verhoor' uw gebed dat gij doet, In uwen zwaren nood. God Jakobs neem' u in Zijn behoed, In den tegenspoed groot; Uit den hemel zie Hij uw lijden, En help' u ook zeer krachtig; Van Sion den berg t' alle tijden, Sterk' u Zijn hand zeer machtig.
Vers 2
Uwes dienst en der off'randen schoon Gedenke de Heer mijn, Dat uw off'randen voor Zijnen troon Haast asse mogen zijn. Hij maakt voorspoedig uwe dingen, Naar uw begeerte reine; Hij wil uw voornemen volbringen Groot en klein in 't gemeine.
Vers 3
God doet dat gij Hem bidt goedertier; Opdat wij onbezwaard Eenmaal oprichten onze banier, In Gods naam wijd vermaard; En zeggen: God uit Zijn woonst' heilig Wil Zijnen koning krachtig Verhoren, en helpen goedwillig Met Zijne hand almachtig.
Vers 4
Onz' vijanden staan zeer vast gebouwd Op wagen en op peerd; Maar op Gods kracht hebben wij vertrouwd, In 't lijden dat ons deert. Ook is haar grote macht gekommen Tot niet; zij is verloren; Maar onz' kracht is hoger geklommen, Dan zij ooit was te voren.
Vers 5
Wil toch beschermen, Heer, van nu voort Den koning en bijstaan; Laat toch ons gebed wezen verhoord, Als wij U roepen aan.