Psalm 20

Vers 1

God verhoor' uw gebed dat gij doet,
In uwen zwaren nood.
God Jakobs neem' u in Zijn behoed,
In den tegenspoed groot;
Uit den hemel zie Hij uw lijden,
En help' u ook zeer krachtig;
Van Sion den berg t' alle tijden,
Sterk' u Zijn hand zeer machtig.

Vers 2

Uwes dienst en der off'randen schoon
Gedenke de Heer mijn,
Dat uw off'randen voor Zijnen troon
Haast asse mogen zijn.
Hij maakt voorspoedig uwe dingen,
Naar uw begeerte reine;
Hij wil uw voornemen volbringen
Groot en klein in 't gemeine.

Vers 3

God doet dat gij Hem bidt goedertier;
Opdat wij onbezwaard
Eenmaal oprichten onze banier,
In Gods naam wijd vermaard;
En zeggen: God uit Zijn woonst' heilig
Wil Zijnen koning krachtig
Verhoren, en helpen goedwillig
Met Zijne hand almachtig.

Vers 4

Onz' vijanden staan zeer vast gebouwd
Op wagen en op peerd;
Maar op Gods kracht hebben wij vertrouwd,
In 't lijden dat ons deert.
Ook is haar grote macht gekommen
Tot niet; zij is verloren;
Maar onz' kracht is hoger geklommen,
Dan zij ooit was te voren.

Vers 5

Wil toch beschermen, Heer, van nu voort
Den koning en bijstaan;
Laat toch ons gebed wezen verhoord,
Als wij U roepen aan.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen