Ik betrouw op God met harte zeer reine; Hoe spreekt Gij tot mijn ziel in dit verdriet: Vliegt haast op den berg, als een vogel kleine? 't Is waar, dat de bozen, zo men wel ziet, Haar bogen spannen en met pijlen mikken, Daarmee elk van hen de vromen doorschiet, En heimelijk zoekt met list te verstrikken.
Vers 2
Maar men zal haast zien dat al de gedachten Der bozen werden gans met een verstoord. Wat hebt gij over den vromen voor klachten? Zijt zeker dat God dit al zit en hoort, Die in Zijnen hogen troon zit verheven; Dien alle ding bekend is (naar Zijn woord), Wat zij al doen, die hier beneden leven.
Vers 3
God proeft de vromen wel in alle wijzen; Maar van hen, die hier bedrijven geweld En onrecht, heeft onze God een afgrijzen; Die zullen ook met vuur wezen gekweld. Haar deel zal zijn veel windige tempeesten; Sulfer en vlamme, die 't alles versmelt, Werd geschonken den minsten en den meesten.
Vers 4
God is gerecht en Hij bemint gestadig Gerechtigheid, ook dien die hem wel stelt Tot vromigheid, dien aanziet God genadig.