Onze God Die is Een Koning gewis, Daarom ook nu raast Dat volk gans verdwaasd. Op cherubim voort Vaart God ongestoord; Dies moet dat gans aardrijk Hem vrezen al gelijk.
Vers 2
Zeer groot is de Heer, Verheven in eer, In Sion met kracht, Dies ieder geslacht Moet den Name Zijn Met zang prijzen fijn; Want Hij is wonderbaar En zeer heilig voorwaar.
Vers 3
De koning niet slecht, Heeft zeer lief dat recht En rechtvaardigheid Met de billigheid. Daar leidt de Heere Jakob met ere, Naar Zijn woord met bescheid, In der gerechtigheid.
Vers 4
Lovet nu dan vrij Onzen God zeer blij, En valt met ootmoed Voor Hem nu te voet; Zijn Naam is heilig. Mozes goedwillig En A?ron, die t' zaam Gods dienaars zijn bekwaam.
Vers 5
Die en Samuël Zijn naar Gods bevel Biddende verhoord, Naar Zijn godd'lijk woord Uw volk beladen, Als zij U baden, Waren van U ontvaan En verhoord van stond' aan.
Vers 6
Uit de wolken klaar Sprak Hij met hen daar, En toonde hen bloot De kolomme rood. Zij onbezwaret Hebben bewaret Zijn woord ende verbond 't Welk kwam uit Zijnen mond.
Vers 7
Gij, Die onz' God zijt, Hebt verhoord altijd. Uw volk; de misdaad Hebt Gij vroeg en spaad' Hen gans vergeven; Doch Gij daarneven Hebt, zonder onderlaat, Gestraft haar zonden kwaad.
Vers 8
Den Heere nu prijst, Hem ere bewijst; Wilt Hem bidden aan Op Zijnen berg zaan, Naar Zijn gevallen; Want boven allen Is Hij heilig en goed; Dies elk Hem loven moet.