God heeft Zijn huis vast gegrondet met vrede, Op de heil'ge bergen die Hij bemint. Tot Sions poorten is Hij meer gezind, Dan tot alle Jakobs schone woonsteden.
Vers 2
Men hoort van u, o stad Gods hoog verheven, Grote dingen, Egypte en Babel Werden (spreekt God) onderwezen zo wel, Dat zij tot Mijn volk werden aangeschreven.
Vers 3
Tyriërs, Palestiners ende Moren Zullen in Mijn Kerke voortgebracht zijn. Men zal spreken, dat in dat Sion Mijn Allerlei volk bijeen Mij werd geboren.
Vers 4
God zal Sion bouwen met Zijn hand krachtig; Uit alle spraken Hij de Zijnen zal Roepen: Dan werd gezeid van dezen al, Dat z' in Sion al t' zamen zijn woonachtig
Vers 5
Dies wilt nu openlijk en vrolijk zingen, Op de bazuinen verkondigt Zijn eer, In U, Sion zal wezen (spreekt de Heer) Rijkdom en overvloed van alle dingen.