Psalm 128

Vers 1

Zalig is hij bevonden,
Die God vreest en dient recht,
Die ook gaat t' alle stonden
In Zijne wegen slecht.
Door 't werk 't welk gij zult drijven,
Werdt gij hier welgevoed;
Uw doen zal wel beklijven,
Spoedig met overvloed.

Vers 2

Uw wijf zal gelijk wezen
In uw huis zeer verblijd,
Den wijnstok uitgelezen
Die vrucht draagt t' zijner tijd;
Aan den dis in een krone
Zullen uw kinders staan,
Als olijfspruiten schone,
Na malkand'ren voortaan.

Vers 3

Deze schone weldaden
Ontvangt hij in 't gemeen,
Die met 't kwaad niet beladen
Is, maar God vreest alleen.
God uit Sion geprezen,
U deez' genade doet,
Dat gij zult zien na dezen
Jeruzalems voorspoed.

Vers 4

Gij zult uit uwen zade
Kindskind'ren zien zeer wel;
Ende door Gods genade
Veel vreeds in Israël.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen