Zalig is hij bevonden, Die God vreest en dient recht, Die ook gaat t' alle stonden In Zijne wegen slecht. Door 't werk 't welk gij zult drijven, Werdt gij hier welgevoed; Uw doen zal wel beklijven, Spoedig met overvloed.
Vers 2
Uw wijf zal gelijk wezen In uw huis zeer verblijd, Den wijnstok uitgelezen Die vrucht draagt t' zijner tijd; Aan den dis in een krone Zullen uw kinders staan, Als olijfspruiten schone, Na malkand'ren voortaan.
Vers 3
Deze schone weldaden Ontvangt hij in 't gemeen, Die met 't kwaad niet beladen Is, maar God vreest alleen. God uit Sion geprezen, U deez' genade doet, Dat gij zult zien na dezen Jeruzalems voorspoed.
Vers 4
Gij zult uit uwen zade Kindskind'ren zien zeer wel; Ende door Gods genade Veel vreeds in Israël.