Gij prinsen, en gij heren, Begaafd met grote ere, Schrijft God toe altezamen Zijn kracht en lof bekwame. Wilt Hem zulken prijs bewijzen, Als Zijn macht, niet om volprijzen, Toestaat, en in Zijn woning goed Buiget Hem de knien met ootmoed.
Vers 2
Gods stem werd gehoord krachtig Op de wateren machtig; In 's hemels wolken zeer klaar Werd ook Gods kracht openbaar, Zijn stemme (niet om versterken) Getuigt van Zijn grote werken; Zijn stem is vol t' allen stonden Van heerlijke kracht bevonden.
Vers 3
Gods stem slaat met onweder De cederbomen neder, Op Liban den berg geplant, En d' ander bergen in 't land, Hij doet die springen te degen. Zo de jonge kalvers plegen, En als de jong' eenhoornen doen, Die opspringen in bossen groen.
Vers 4
Gods stem doorsnijdt en scheidet 't Vuur en zijn vlam uitbreidet; Hij doet 't dal Kades beven, Met de dalen daarneven. Hij schrikt de hinden kleinmoedig, En doet ze misvallen spoedig; Hij doet de bossen groen en groot, Door Zijn kracht worden dor en bloot.
Vers 5
Maar ieg'lijk gaat bij dezen In Gods tempel geprezen, En daar hij placht te beven, Hij looft Hem al zijn leven. Des waters, dat men vreest zere, Des zondvloeds, is God een Heere; En Zijn koninkrijke voortaan Zal eeuwiglijk vast blijven staan.
Vers 6
Daarom zal de Heer wezen Zijns volks kracht uitgelezen; Vreed' en goed zal hem geven Onze God hoog verheven.