O Heer, open mij Uw oren,
Wil mij goediglijk verhoren;
Want ik vermag gans niet meer,
Benauwd zijnde nu zo zeer;
Wil toch mijn leven bevrijden,
Ik wil weldoen met verblijden;
Bewaar toch Uwen knecht vroed,
Die U vertrouwt, o Heer goed!
Wil mij, Heer, genadig wezen,
Naar Uwe goedheid geprezen,
Die U bidde met ootmoed,
En daag'lijks valle te voet,
Verheug nu Uwen knecht klachtig,
Die U Heer, aanroept aandachtig;
Want ik heffe 't hart allein
Tot U in den nood niet klein.
Gij zijt, Heer, vriend'lijk en goedig,
Barmhartig en zeer lankmoedig,
Dengenen die tot U gaan
En in den nood roepen aan.
Verhoor mij, Heer uitverkoren!
Laat mijn stem U komen voren;
Versta mijn klachten zeer zwaar,
Want 't is meer dan tijd voorwaar.
Als ik ben in nood en kwaden,
Tot U schrei ik zeer beladen;
Omdat Gij verhoort altijd
Mijn stem en maakt mij verblijd.
Bij U, o Heer des aardrijken,
Is geen God te vergelijken,
Daar is ook niemand zo koen,
Die Uw werken kan nadoen.
Alle volken, die Gij krachtig
Hebt geschapen, Heer almachtig!
Zullen vereren te zaam
En groot maken Uwen Naam.
Gij zijt groot, niet om versterken
En doet wonderlijke werken;
Gij hebt den naam breed en wijd,
Dat Gij alleen een God zijt.
Uw wegen wil mij toch leren,
Dat ik recht ga t' Uwer ere;
Opdat Gij van mij ook meest
Ten rechten moogt zijn gevreesd.
Ik wil U, Heer hoog verheven,
Altijd prijs en ere geven;
Ik wil Uwen Naam zeer klaar
Groot maken in 't openbaar.
Gij hebt, uit louter genaden,
Mij bewezen veel weldaden,
En mij verlost uit den nood
Der helle en van den dood.
Heer! de wreed' onder hen allen
Met kracht mij gans overvallen,
Naar mijn leven zij al staan
Zonder U te merken aan.
Maar Gij zijt goed en genadig,
Barmhartig ende weldadig,
Lankmoedig tot toornigheid,
Bestendig in der waarheid.
Wil mij goedigljk aanschouwen,
Sterk mij ook in dit benauwen,
Help mij en maak onversaagd
Den knecht van Uwe dienstmaagd.
Wil mij toch een teken geven,
Opdat mijn vijanden beven,
Als zij zien zullen, Heer mild,
Dat Gij mij steeds bijstaan wilt.
Tekst: Petrus Datheen