Wel hem, die altijd is begeven Tot Gods vrees in alle zijn leven, Die lust tot Zijn woord heeft verkregen. Zijn zaad zal zeer geweldig wezen; Door Gods genade, hoog geprezen, Verkrijgen de vromen den zegen.
Vers 2
Rijkdom en volheid aller dingen Zal God dezes mans huis toebringen; Zijn gerechtigheid zal beklijven. Den vromen zal een licht verschijnen, 't Welk de duisterheid zal verdwijnen; Door Gods goedheid, die vast zal blijven.
Vers 3
Wel hem, die uitleent door meed'lijden, Die 't zijne doet tot allen tijden, Oprecht'lijk zonder iemands schade; Die zal in eeuwig' ere blinken. Men zal zijner eerlijk gedinken In alle plaatsen vroeg en spade.
Vers 4
Als daar vallen zeer zware plagen, Zo wordt hij door angst niet verslagen; Want hij hoopt vast op God almachtig. Dies is hij getroost en vrijmoedig, En zal zijn lust zien overvloedig, In den val der vijanden krachtig.
Vers 5
Hij deelt Zijn goed uit met ontfarmen Den behoeftigen en den armen; Zijn gerechtigheid blijft gestadig Zeer hoog wordt zijn hoorne verheven; Ook zal hem een zulk ere geven, Die eeuwig blijft, de Heer genadig.
Vers 6
De godd'lozen zullen Gods daden Met verdriet zien, en zeer beladen Bijten de tanden en hen kwellen. Zij zullen uitdrogen en sterven, En in haar lusten boos verderven, Hoe zij hen ook daartegen stellen.