Och, Heer almachtig, help toch mij, Door Uwen Naam en sterkte krachtig; Neem mijn zaak aan, wees mijns gedachtig, Laat Uwe macht verschijnen vrij. 't Gebed dat ik nu doe, verhoor; Wil, Heer, neigen tot mij Uw oren, Opdat Gij moogt goediglijk horen De woorden, die ik brenge voort.
Vers 2
Met een wreed harte, zo elk ziet, Komen mij nu toe mijn vijanden; Naar mijn leven zijn ze gestanden, Zij hebben God voor ogen niet, Nochtans doet God mij onderstand Door hulp, die Hij mij heeft bewezen; Hij is bij mij in allen dezen En onderhoudt mij met Zijn hand.
Vers 3
Hij is 't, die daar doet vallen zwaar Op mijn vijanden al Zijn plagen; Als zij van Hem werden verslagen, Dan werd Uwe trouw openbaar. Dan zal ik vrijwillig, o Heer! Een vrolijk offer U toebringen; Uwen naam lovende met zingen, Die vol goedheid is en vol eer.
Vers 4
Gij heb mij uit nood ende pijn Verlost, en mij laten aanschouwen Mijnen lust in dat zwaar benauwen, En de straf der vijanden mijn.