Men mag nu wel zeggen in Israël: Had ons de Heer Zelve niet bijgestaan, Had Hij ons zaken niet genomen aan, Als ons de volken overvielen fel, Om ons uit te roeien en te verslaan;
Vers 2
Levendig waren wij verslonden wreed, Want in toorne waren zij zeer verstoord. Wij waren lang in dat water versmoord; Want de baren gingen hoog ende breed, Die hadden ons overdekt rechtevoort.
Vers 3
De stromen hadden gegaan met geweld Over onze hoofden ter zelfder tijd. Maar gedankt zij God, Die ons heeft bevrijd, En Zijn volk in de macht niet heeft gesteld Zijnder vijanden, vol van haat en nijd.
Vers 4
Zo de vogel den vogelvanger snel Ontkomt, zo is onze ziel ontgaan rein. D' strik is ontwee, welk' ons omving gemein; Wij zijn vrij; God helpt ons en niemand el, Die hemel en aard' heeft gemaakt allein.